Conclusie
1.De procedure
2.De aanvraag tot herziening ten nadele
Aanvragen onderzoek: 21 maart 2006 en 3 juli 2006
Slachtoffer [slachtoffer]
(…)
De DNA-profielen van het sporenmateriaal en van de twee referentiemonsters van de DNA-onderzoeken van 2002 en 2006 zijn met elkaar vergeleken en onderworpen aan een statistische evaluatie.
DNA onderzoek nagels slachtoffer.In 2002 zijn de bemonsteringen van de nagels [ADC845]#1 van het slachtoffer onderzocht met het SGMplus DNA-analysesysteem. Het SGMplus systeem was in 2002 de standaardmethode op het NFI voor het vergelijkend DNA-onderzoek van referentiemonsters en sporenmateriaal. Met SGMplus analyse systeem worden de loci van tien genetische merkers van het DNA onderzocht.
In 2002 is van de bemonstering van de nagels [ADC845]#1 van het slachtoffer [slachtoffer] een DNA-mengprofiel verkregen met de DNA-kenmerken van twee personen. In dit DNA-mengprofiel zijn zowel DNA-kenmerken aanwezig die matchen met het slachtoffer als DNA-kenmerken die matchen met de verdachte. Het DNA-mengprofiel geeft geen aanwijzing op de aanwezigheid van DNA van een derde.
De bewijskracht van de SGMplus DNA-analyse met de DNA-match van het DNA-profiel van de verdachte [de gewezen verdachte] en het DNA-mengprofiel is vastgesteld en in april 2002 door het NFI gerapporteerd:
De kans dat bij menging van celmateriaal van het slachtoffer met celmateriaal van een willekeurige tweede persoon een zelfde DNA-mengprofiel wordt verkregen, zoals is aangetroffen op de nagels [ADC845] van het slachtoffer, is kleiner dan een op de honderdduizend.”.
Het 15 locus DNA-mengprofiel matcht met de DNA-profielen van het slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte [de gewezen verdachte] .
Het DNA-hoofdprofiel van het verkregen mengprofiel matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer zelf.
De DNA-kenmerken van het DNA-nevenprofiel zijn gelijk aan de desbetreffende DNA-kenmerken in het DNA-profiel van de verdachte [de gewezen verdachte] .
De bewijskracht van de match tussen het 15 locus DNA-profiel van de bemonstering van het nagelvuil en de verdachte [de gewezen verdachte] is vastgesteld en op 2 februari 2007 door het NFI gerapporteerd:
“De berekende frequentie van de combinatie van DNA-kenmerken in het DNA-nevenprofiel van de tweede celdonor is eveneens kleiner dan één op één miljard”.De resultaten van het aanvullende DNA-onderzoek van 2007 waarbij vijf aanvullende DNA-loci zijn geanalyseerd verklaren de veel hogere bewijskracht.
Hoewel in 2002 het Profiler systeem of equivalente typeringsystemen voorhanden waren, werden deze in 2002 niet toegepast in strafzaken. De belangrijkste reden dat dit niet standaard werd toegepast, ligt in het feit dat de loci van het Profiler systeem geen deel uitmaken van de Europese standaard set van loci en daardoor ook geen deel uitmaken van de loci in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken.
Anno 2015 bestaat de Europese standaardset van loci uit vijftien autosomale loci. De Europese standaardset bevat de tien loci van het SGMplus systeem en vijf additionele loci. De vijf additionele loci in de Europese standaardset zijn niet de loci van het Profilersysteem. Aanvullend DNA-onderzoek met de nieuwe standaardset heeft in deze zaak echter geen toegevoegde waarde. De bewijskracht van het DNA-onderzoek van 2007 is extreem hoog en de hoeveelheid resterend celmateriaal van de bemonstering van het nagelvuil is zeer beperkt.”
3.Inleiding
4.Wettelijke bepalingen
veroordeeld. Niet voldoende is dus dat de gegeven vrijspraak betrekking had op een dergelijk misdrijf. De vraag die daarbij rijst, is of de herzieningsaanvraag beoordeeld moet worden op de grondslag van de tenlastelegging zoals die destijds voorlag. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat “de oorspronkelijke tenlastelegging niet beslissend is”. Als voorbeeld wordt gegeven het geval waarin alleen moord is tenlastegelegd, waarvan de verdachte is vrijgesproken. Het ernstige vermoeden kan dan betrekking hebben op een (niet tenlastegelegde) gekwalificeerde doodslag (art. 288 Sr Pro). [23] Nu heeft de oorspronkelijke tenlastelegging in dit voorbeeld betrekking op een misdrijf (moord) dat voor herziening ten nadele in aanmerking komt. De vraag is hoe het zit als dat niet het geval is. [24] Is herziening ten nadele bijvoorbeeld mogelijk als vrijgesproken is van dood door schuld en achteraf het ernstige vermoeden rijst dat sprake was van doodslag? Ik laat die vraag hier rusten omdat zij voor de beoordeling van de onderhavige aanvraag niet van direct belang is. Ik merk slechts op dat de vraag alleen speelt als sprake is van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr Pro. Als doodslag een ander feit zou opleveren, kan voor dat andere feit ‘gewoon’ vervolgd worden. Herziening ten nadele is dan uitgesloten (vgl. hierna, onder 5.4.3).
6.Beginselen en verdragsrecht
In buurland Duitsland is herziening ten nadele in bepaalde gevallen mogelijk gemaakt (zie paragraaf 362 Strafprozessordnung). Deze gevallen zien behalve op processuele onregelmatigheden (falsa), te weten valsheid in geschrift, meineed en een ambtsmisdrijf van de rechter in verband met de strafzaak, op een bekentenis van de gewezen verdachte (novum). In 2008 is in Duitsland – net als toen in Nederland – een wetsvoorstel ingediend dat herziening ten nadele mogelijk maakt bij bepaalde levensdelicten en internationale delicten op basis van “nieuwe wetenschappelijk erkende technische onderzoeksmethoden”. Dit wetsvoorstel heeft de eindstreep echter niet gehaald. [38] Ook in Engeland, Wales en Noord-Ierland is herziening ten nadele toegestaan. Daar is in de wet (Criminal Procedure and Investigations Act 1996) neergelegd dat een nieuwe berechting bij “tainted acquittals” (besmette vrijspraken) onder omstandigheden mogelijk is bij “interference with or intimidation of a juror or a witness or potential witness”, dat wil zeggen wanneer de gewezen verdachte is veroordeeld wegens intimidatie van juryleden of (potentiële) getuigen, dan wel andere vormen van bemoeienis met deze personen. Dan geldt wel als aanvullende voorwaarde dat er zonder de interference geen vrijspraak was gevolgd. De Criminal Justice Act 2003 heeft daaraan nog een herzieningsgrond toegevoegd. Bij een hele serie ernstige misdrijven, de zogeheten qualifying offences, is het mogelijk om een vrijspraak te herzien als sprake is van “new and compelling evidence”. Het Court of Appeal moet bij overtuigend nieuw bewijs een retrial bevelen als dat “in the interests of justice” is. Hiervoor geldt dat de herziening opportuun is vanuit het oogpunt van de “interest of justice”. Onzorgvuldige opsporing kan daarbij bijvoorbeeld een contra-indicatie zijn. Ook gelden er gedetailleerde voorschriften over het gebruik van dwangmiddelen en voor “procedure and evidence”.
general principlesdie als gezegd ook op andere gevallen van herziening betrekking hebben. Het EHRM doet daarbij niet meer dan constateren dat de bedoelde ernstige tekortkomingen zich niet voordoen. Dat het EHRM herziening ten nadele toelaatbaar zal oordelen als wel van een dergelijke tekortkoming sprake is, is daarmee niet gezegd. Er is immers een afweging (
fair balance) vereist. Hoeveel gewicht de beide in § 44 van de zaak Radchikov tegen Rusland als eerste genoemde factoren (te weten: effect van de heropening op de persoonlijke situatie van de klager en heropening anders dan op verzoek van de klager) in de schaal zullen leggen, is onzeker. Gevallen waarin het EHRM een op initiatief van de autoriteiten tot stand gekomen herziening van een onherroepelijke vrijspraak niet in strijd oordeelt met art. 6 EVRM Pro, zijn zeldzaam en misschien zelfs wel non existent. [61] De tweede reden waarom voorzichtigheid is geboden, is dat de besproken jurisprudentie betrekking heeft op
supervisory review-procedures die aan een termijn zijn gebonden. Als het om een niet in de tijd beperkte mogelijkheid gaat om vonnissen in het nadeel van de veroordeelde te herzien, zou het EHRM wel eens strenger kunnen zijn. [62]
Nikitin, cited above, §§ 37 en 54). The supervisory review proceedings must also provide for all the guarantees of a fair trial.”
7.Het novum: nieuw technisch bewijs
8.Bewijsuitsluiting
9.In het belang van een goede rechtsbedeling
legal certainty(zie hiervoor, onder 6.5) en meer in het bijzonder op de onder meer in de zaak Radchikov tegen Rusland voorkomende overweging dat van de justitiële autoriteiten ingeval van een herziening wordt verwacht “to strike, to the maximum extent possible, a fair balance between the interests of the individual and the need to ensure the effectiveness of the system of criminal justice”.
balancebaseert de memorie van toelichting zowel de beperking van de herziening ten nadele tot ernstige misdrijven als de eis dat die herziening in het belang van een goede rechtsbedeling moet zijn. Dat blijkt uit de paragrafen 7 en 8 van de memorie van toelichting, waarin het volgende valt te lezen (de verwijzing naar paragraaf 4.2 slaat daarbij in het bijzonder op hetgeen daarvan hiervoor, onder 6.5.1 is weergegeven). [120]
fair balanceis gegeven, kan men zich afvragen. Zo wordt de ernst van het strafbare feit waarop de herziening ten nadele betrekking heeft, door het EHRM in de zaak Radchikov tegen Rusland niet (expliciet) genoemd als een in aanmerking te nemen factor (zie hiervoor, onder 6.5.5). Het EHRM lijkt vooral oog te hebben op de gronden voor een herziening (die een uitzonderlijk karakter moeten dragen) en in het verlengde daarvan op de waarborgen tegen een te lichtvaardig gebruik van de herzieningsmogelijkheid. Zo gezien is de eerlijke balans al goeddeels gegeven met de scherpe omschrijving van de herzieningsgronden en met de inrichting van de herzieningsprocedure (alleen op verzoek van het College van procureurs-generaal; beoordeling door de Hoge Raad). In dit verband merk ik nog het volgende op. Volgens de memorie van toelichting is de eerlijkheid van het proces een van de factoren die betrokken moeten worden bij de vraag of de herziening ten nadele in het belang van een goede rechtsbedeling is. Daarnaast spelen andere factoren een rol, waarvan in elk geval sommige de eerlijkheid van het proces niet raken. Dat die factoren op grond van art. 6 EVRM Pro in aanmerking moeten worden genomen, ligt dan ook niet direct in de rede. Daarmee is niet gezegd dat voor de belangenafweging die de wetgever heeft gewild, geen goede gronden zijn aan te voeren. Die afweging zal naar het mij voorkomt echter mede gebaseerd moeten worden op de in de memorie van toelichting breed uitgemeten bezwaren die in het algemeen aan een herziening ten nadele kleven. Die bezwaren maken een belangenafweging noodzakelijk. De wettelijke regeling kan worden gezien als de neerslag van die afweging (vergelijk hiervoor, onder 3.6-3.8). Bij die abstracte, door de wetgever gegeven afweging voegt zich dan de afweging in concreto die door de wetgever van de herzieningsrechter wordt verlangd.
10.Vooropmerkingen
(1) Is het aangedragen bewijsmateriaal het resultaat van technisch onderzoek?
(2) Is dat bewijsmateriaal rechtmatig verkregen?
(3) Levert dat bewijsmateriaal het vereiste ernstige vermoeden op?
(4) Is herziening ten nadele in het belang van een goede rechtsbedeling?
11.Ontvankelijkheid
12.De rechtmatigheid van de bewijsverkrijging
(1) een schrijven van mr. G.C. Bos van 6 april 2006 aan het NFI, dat tot onderwerp heeft “Benoeming en opdracht deskundige DNA-onderzoek / REVIEW / (artikel 151a, eerste lid Sv);
(2) een op 27 maart 2006 in de zaak Vivaldi opgemaakt proces-verbaal van politie, inhoudende een aanvraag DNA-onderzoek en
(3) een op 14 mei 2006 opgemaakt proces-verbaal van politie, waarin verslag wordt gedaan van de afname van celmateriaal van de gewezen verdachte op grond van de Wet DNA-veroordeelden.
Andere stukken waren niet bijgevoegd. Dit hoewel was verzocht om de overlegging van eventuele andere documenten die betrekking hebben op het gedane verzoek om inlichtingen.
13.Een ernstig vermoeden?
- de worsteling vond plaats in een kleine ruimte (zie m.n. de situatietekening op p. 122), waarbij rekening moet houden met een ricochet (vgl. bijschrift bij foto 16 op p. 138);
- het vuurwapen waarmee de schoten zijn afgevuurd, was waarschijnlijk een machinepistool/pistoolmitrailleur van het type Skorpion; met dit wapen kan zowel semiautomatisch als volautomatisch geschoten worden (zie p. 160 en p. 1 van het (later opgemaakte) proces-verbaal met nummer 2001253575-1);
- er zijn in totaal acht schoten gelost (p. 155/156);
- uit de gereconstrueerde kogelbanen blijkt dat er vanuit verschillende richtingen en plaatsen is geschoten (p. 146);
- het slachtoffer is door drie kogels getroffen: een inschot in de bovenbuik, een inschot in het linker bovenbeen en doorschot door de romp (zie p. 9 van het zich bij de stukken bevindende sectieverslag van dr. R. Visser);
- uit diverse getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat de acht schoten niet gelijktijdig zijn afgevuurd en meer in het bijzonder dat tussen het eerste schot of de eerste schoten en de daarop volgende schoten enige tijd is verlopen (zie o.m. p. 208/209, en p. 211).
14.Het belang van een goede rechtsbedeling
the principle of legal certaintyen met het bepaalde in art. 7 EVRM Pro (hiervoor, onder 6.7.4). Alleen al in het bestaan van die onzekerheid kan een argument worden gevonden om herziening ten nadele niet opportuun te achten (hiervoor, onder 9.10).