Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.De gestelde prejudiciële vraag ex art. 392 lid 1 Rv Pro
4.Rentevorderingen in faillissement en surseance van betaling
NJ1976, 249 (Postgiro-arrest) geeft art. 249 Fw Pro geen uitputtende regeling voor alle vragen die zich kunnen voordoen wanneer de surseance van betaling onmiddellijk overgaat in faillissement. [11] De bedoeling van het artikel is dat de surseance van betaling en het opvolgende faillissement als een geheel worden beschouwd. [12]
NJ1988/964 (AMRO/Den Hollander). De Hoge Raad overwoog in rov. 3.3 van dat arrest:
NJ1976, 249 (Postgiro-arrest) en HR 27 mei 1988,
NJ1988/964 (AMRO/Den Hollander) mag m.i. niet worden afgeleid dat art. 249 Fw Pro steeds toepassing moet vinden in gevallen waarin de surseance van betaling wordt opgevolgd door een aansluitend faillissement. Een dergelijke benadering volgt ook uit HR 4 februari 1977,
NJ1978, 66 (Dreyfus/Keulen & Oliemans q.q.). In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat een vordering op de gefailleerde die in buitenlands geld is uitgedrukt en ten behoeve van verificatie in het faillissement op grond van art. 133 Fw Pro diende te worden omgerekend naar de geschatte waarde op de dag van de faillietverklaring en niet naar de geschatte waarde op dag waarop de onmiddellijk aan de faillietverklaring voorafgaande surseance van betaling was verleend. De Hoge Raad overwoog als volgt:
NJ1978, 66 (Dreyfus/Keulen & Oliemans q.q.) dat het systeem van de Faillissementswet meebrengt dat de rechten van schuldeisers gefixeerd worden op het moment van faillissement en dat uit art. 249 Fw Pro niet het tegendeel kan worden afgeleid. [19]