(i) De aangeefster [betrokkene 1] is op 13 maart 2013 door de politie als getuige (aangeefster) gehoord. Deze verklaring heeft het hof als bewijsmiddel 2.3 tot het bewijs gebezigd en houdt onder meer het volgende in. Op 16 februari 2013 werd [betrokkene 1] door de neef van ene [betrokkene 2] met de auto teruggebracht naar “Fier Fryslân”. Aldaar aangekomen durfde [betrokkene 1] uit angst voor een reactie van de begeleiding van die instelling niet meer terug te gaan naar “Fier Fryslân”. Zij is toen met de verdachte (“ [verdachte] ”), die ook in de auto zat, meegegaan naar zijn huis. Iedere keer als de verdachte wegging, deed hij de deur op slot. [betrokkene 1] kon en durfde niet weg te gaan bij de verdachte.
(ii) Bij faxbericht van 10 april 2013 heeft de raadsman van de verdachte aan de rechter-commissaris verzocht om [betrokkene 1] als getuige te horen, aangezien de verdachte haar verklaring op belangrijke onderdelen betwist en het horen van deze getuige van belang is voor de toetsing van haar betrouwbaarheid en geloofwaardigheid. De rechter-commissaris heeft dit verzoek bij beschikking van 22 april 2013 toegewezen.
(iii) Op 16 september 2013 is [betrokkene 1] , in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte, als getuige gehoord door de rechter-commissaris. De raadsman is daarbij in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen aan de getuige en heeft ook van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Het hof heeft deze verklaring als bewijsmiddel 2.4 voor het bewijs gebruikt. [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij de bewuste dag niet durfde terug te keren naar “Fier Fryslân”, omdat zij bang was voor de leiding van die instelling, en dat ze vervolgens naar de kamer van de verdachte zijn gereden, waar de politie haar later heeft gevonden.
(iv) De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij vonnis van 14 februari 2014 de verdachte (op tegenspraak) veroordeeld. De rechtbank heeft alleen de bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] tot het bewijs gebezigd. Namens de verdachte is op 27 februari 2014 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
(v) De raadsman van de verdachte heeft bij tijdig ingediende appelschriftuur van 13 maart 2014 verzocht de aangeefster [betrokkene 1] als getuige te horen in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van haar, door de rechtbank voor het bewijs gebruikte, verklaring.
(vi) In reactie op het verzoek in de appelschriftuur heeft de advocaat-generaal bij het hof bij brief van 25 april 2014, gericht aan de raadsman van de verdachte, meegedeeld dat hij geen reden ziet om de aangeefster ter zitting als getuige te horen, aangezien de verdediging hierdoor niet in haar belangen wordt geschaad. Op de terechtzitting in eerste aanleg van 31 januari 2014 heeft de verdachte de verklaring van de aangeefster grotendeels bevestigd. Het horen van de minderjarige aangeefster ter terechtzitting is bovendien onwenselijk, omdat zij een kwetsbare persoon is, aldus de advocaat-generaal.
(vii) Op de terechtzitting in hoger beroep van 8 mei 2014 heeft de raadsman van de verdachte het verzoek om [betrokkene 1] als getuige te horen gehandhaafd en dit verzoek als volgt nader onderbouwd. Ondanks het feit dat [betrokkene 1] ook bij de rechter-commissaris is gehoord, is het belangrijk om haar geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te kunnen toetsen. [betrokkene 1] wordt in juli 2014 achttien jaar. De eigen waarneming van het hof is belangrijk, juist omdat [betrokkene 1] kwetsbaar is. Aan [betrokkene 1] dient te worden gevraagd of zij een andere keuze had, of de verdachte een beslissende invloed op haar keuze heeft gehad en waarom zij niet terug durfde te gaan naar “Fier Fryslân”.
(viii) Het hof heeft dit verzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2014 afgewezen op de grond dat de noodzaak tot het horen van de getuige (ook ambtshalve) niet is gebleken. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. Het verzoek dient te worden getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium, aangezien [betrokkene 1] op 16 september 2013 ten overstaan van de rechter-commissaris als getuige is gehoord. Door de verdediging zijn geen nieuwe omstandigheden aangevoerd die een nader verhoor rechtvaardigen.
(ix) De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2014. Op die terechtzitting heeft de (gemachtigde) raadsman van de (niet verschenen) verdachte het getuigenverzoek niet herhaald. Vervolgens heeft het hof op 10 december 2014 uitspraak gedaan.