Conclusie
middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd, aangezien uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de aangeefster ten tijde van de in de bewezenverklaring genoemde handelingen “verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn” en dat de verdachte weet had van die toestand, één en ander zoals bedoeld in art. 243 Sr Pro. Volgens de steller van het middel is het hof ten aanzien van de betekenis van het begrip “in staat van verminderd bewustzijn” uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.