Conclusie
eerste middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaarde wetenschap van de staat van verminderd bewustzijn.
tweede middelklaagt over het oordeel van het hof dat artikel 243 Sr Pro niet verlangt dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘...wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde...’ komt vast te staan dat sprake is geweest van de omstandigheid dat de aangeefster niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken.
13.Het eerste middelfaalt.
zodanigegebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens dat enz. Het woord zodanig gaat niet vooraf aan één van de andere varianten. Kennelijk heeft de steller van het middel de taalkundige uitleg niet voor ogen, omdat hij meent dat het vereiste van het ontbreken van de mogelijkheid om de wil te bepalen of weerstand te bieden besloten ligt in de woorden ‘staat van verminderd bewustzijn’. Ik begrijp de steller van het middel zo: zodanige staat van verminderde bewustzijn staat weliswaar niet in art. 243 Sr Pro, maar ligt wel besloten in het begrip staat van verminderd bewustzijn. Ik lees in de schriftuur overigens niet waarom dat dan in die woorden geacht moet worden besloten te liggen.
geenweerstand kon bieden. Dat de verdediging daarover anders dacht en dat ter zitting naar voren heeft gebracht is duidelijk. Het gaat hier om een kwestie van selectie en waardering waarbij slechts onbegrijpelijkheid het hof fataal kan worden. Daarvan is geen sprake. Ook heb ik in hetgeen is aangevoerd door de verdediging niet het uitdrukkelijke onderbouwde standpunt aangetroffen dat de verklaring van het slachtoffer juist specifiek op het punt dat zij zich niet kon verweren onbetrouwbaar is.