Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
nr. 1.1) dat het hof in rov. 2.6 van het tussenarrest alleen een oordeel geeft over het beroep op berusting in een eindarrest van het hof Amsterdam van 21 juli 2009 (MvA nrs. 8-9). Het beroep op berusting was echter ook gebaseerd op een arrest van het hof Amsterdam van 25 januari 2011 in een bodemprocedure (MvA nr. 9) en op een vonnis in kort geding van de kantonrechter van 26 april 2011 (MvA nr. 12). Door hierop niet in te gaan heeft het hof essentiële stellingen niet besproken, althans is het arrest op dit punt onbegrijpelijk (
nr. 1.2).
nrs. 2.1, 2.11 en 2.13). In de kern klaagt het onderdeel dat het hof niet vaststelt op welke wijze en op welk moment het verzuim is ontstaan (
nr. 2.2), waartoe het volgende wordt aangevoerd.
nr. 2.2). Dit volgt niet uit de stellingen van DEM in eerste aanleg (
nrs. 2.2 t/m 2.4) of in hoger beroep (
nr. 2.6), terwijl Nieuwburen dit heeft bestreden (
nr. 2.7).
nrs. 2.6 en 2.8).
nr. 2.9).
nr. 2.10).
nr. 2.6). DEM heeft niet gesteld dat deze brief ziet op alle gebreken en dat kan ook niet nu de in rov. 2.9 onder a t/m k bedoelde gebreken dateren van na 24 januari 2008 (
nr. 2.11). Ook is de brief, anders dan het hof oordeelt, geen ingebrekestelling (
nr. 2.12).
nr. 3.1). Niet iedere non-conformiteit heeft immers te gelden als gebrek in de zin van art. 7:204 lid 1 BW Pro. Het hof spreekt slechts van “de aard van de gebreken” en overweegt dat sprake is van “een lijst van serieuze gebreken” maar concretiseert dat niet per gebrek en overweegt evenmin waarom sprake zou zijn van substantiële vermindering van het huurgenot. Daartoe diende het hof in te gaan op de omstandigheden van het geval, zoals de duur van de gebreken en de vraag of DEM in haar bedrijfsvoering verhinderd was (
nrs. 3.2 en 3.7).
nrs. 3.3 t/m 3.6).
nrs. 4.1, 4.3 en 4.4). Deze klacht vindt naar mijn mening geen steun in rov. 2.12, waar het hof immers de huurprijsvermindering relateert aan het met de lijst aan serieuze gebreken gepaard gaande verminderde huurgenot.
nrs. 4.2 en 4.5veronderstelt, heeft het hof wel een oordeel gegeven over het standpunt van Nieuwburen dat haar onderhoudstechnici niet werden toegelaten tot het gehuurde. Zie rov. 2.10.
nr. 4.2aanvoert, niet (alleen) op het bestaan van het gebrek, maar (ook) op de mate van aantasting van het genot dat de huurder mag verwachten.
nr. 4.3aanvoert, behoefde het hof niet vast te stellen dat DEM tijdens een periode van anderhalf jaar geen gebruik heeft kunnen maken van (een deel van) het gehuurde. Het middel maakt verder niet duidelijk waarom het hof gezien het partijdebat nader had moeten ingaan op de in
nr. 4.4bedoelde omstandigheden (de omvang van het gehuurde of de wijze waarop en de mate waarin de storing van het huurgenot door de huurder zelf kan worden beperkt).