(i) De op de terechtzitting in hoger beroep van 30 november 2015 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:
“Ik was huurder van de woning. Ik gebruikte destijds medicijnen. Ik kwam [betrokkene 1] tegen. Hij kon mijn geldproblemen oplossen.
Ik wist van de kwekerij in mijn woning. Ik zou bij de tweede oogst geld krijgen. Ik betaalde de huur van de woning.”
(ii) Een op 15 juni 2011 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:
“V: In jouw woning is een hennepkwekerij aangetroffen wat kun jij erover zeggen?
A: Een jongen stelde voor om een hennepkwekerij te beginnen. Hij overtuigde mij om een hennepkwekerij te beginnen.
V : Hoe heet die jongen?
A: Ik noem hem [betrokkene 1]. Het is een Bulgaarse jongen. Ik heb voor u een kopie van zijn id-kaart.
V: Kun jij omschrijven hoe die kwekerij er uit zag?
A: Wat ik weet is dat het boven was.
A: Ik ben wel boven geweest. Ik heb buizen gezien.
V : Hoe is de elektriciteit aangelegd?
A: Ik heb gezien dat er vanaf de kast een kabel naar boven ging.
A: Ik ben één of twee keer in de woning geweest.
V : Wat zou jij eraan verdienen?
A: Weet ik niet. Hij zou dat berekenen. Hij zei tegen mij dat hij voor een deel mijn problemen zou kunnen oplossen.
V : Heb je enig idee wat een kwekerij zou kunnen opbrengen?
A: Er was afgesproken dat de kwekerij werd opgebouwd en dat de onkosten van de winst werden afgetrokken en dat wat overbleef zouden [betrokkene 1] en ik delen.”
(iii) Een proces-verbaal van politie van 15 januari 2013, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:
“Op 25 mei 2011 hebben wij, verbalisanten, de woning aan de [a-straat 1] betreden. Wij, verbalisanten, zijn de trap naar boven op gelopen en zagen op de eerste verdieping een in werking zijnde hennepkwekerij.”
(iv) Een proces-verbaal van politie van 30 mei 2011, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
“Door mij, verbalisant, werd op 25 mei 2011 in de woning van perceel [a-straat] op de bovenetage drie ruimtes aangetroffen die kennelijk waren ingericht voor het telen van hennep. De gehele bovenetage deed dienst als hennepkwekerij.
Op het moment van ontdekken stonden in de drie kweekruimtes 394 hennepplanten. Door mij, verbalisant, is door middel van een MMC-cannabistest een gedeelte van de in beslag genomen hennepplanten getest. De test MMC verkleurde positief en gaf aan dat het plantenmateriaal hennep betrof.”
(v) Een “huurovereenkomst zelfstandige woonruimte”, voor zover inhoudende:
“[verdachte], geboren [geboortedatum] 1963, huurder (...)
Verhuurder verhuurt aan huurder die in huur aanneemt de woning, gelegen aan de [a-straat 1] te Arnhem (...)
De huurovereenkomst is met ingang van 1 september 2006 aangegaan voor onbepaalde tijd.”