Conclusie
middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat er sprake is van medeplegen van het telen van hennep getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen slechts naar voren komt dat de verdachte de door hem gehuurde woning beschikbaar heeft gesteld voor het inrichten van een hennepkwekerij en dat hem in verband daarmee een financiële vergoeding in het vooruitzicht is gesteld.