Conclusie
eerste middelkeert zich met een rechtsklacht (strijd met art. 51g, derde lid, Sv) en een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat het juridisch mogelijk is dat de oorspronkelijk, vóór het requisitoir van de officier van justitie ingediende vordering van de benadeelde partij [A] nadien werd vervangen door een tweede, ná dat requisitoir ingediende vordering waarbij het schadebedrag met € 7000,- is verhoogd.
Vordering van de benadeelde partij VVE [A]
tweede middelklaagt dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [A] tot een bedrag van € 29.700,- “onjuist, onterecht, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is”, nu het hof, door het vonnis van de politierechter te bevestigen, onder feit 1 primair heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van in totaal € 22.700,-.
Vordering van de benadeelde partij VVE [A]
NJ1998/102 was het hof ter zake van de vaststelling van de op te leggen schadevergoedingsmaatregel uitgegaan van een schadebedrag van fl. 2590,-, zulks terwijl uit de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen bleek dat het slachtoffer ten gevolge van de handelingen van de verdachte rechtstreeks schade had geleden tot een bedrag van fl. 1075,-. De Hoge Raad casseerde daarop, overwegende “dat voor schade slechts in aanmerking komt die welke – naar luid van het tweede lid van art. 36f Sv – ‘door het strafbare feit is toegebracht’, zodat daarmee slechts verenigbaar is dat door de strafrechter aan de verdachte de verplichting kan worden opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer van een schadevergoeding ter zake van een feit dat in de tenlastelegging en bewezenverklaring is opgenomen”. [11] Met verwijzing naar dit arrest schrijven Candido c.s. in hun Handleiding voor de strafrechtspraktijk “Slachtoffer en de rechtspraak” (p. 170) dat de rechter niet kan bepalen dat de schadevergoedingsmaatregel een hoger bedrag beloopt dan uit de bewezenverklaring volgt. [12]
derde middelklaagt, bezien in samenhang met de toelichting daarop, dat de overweging van het hof dat in deze zaak de cumulatie van niet-vrijheidsbenemende sancties, en met name de mogelijkheid tot oplegging van een taakstraf in dat verband, geen beperking vindt in art. 22b Sr “onjuist, onterecht, onbegrijpelijk, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onvoldoende gemotiveerd is”, ook omdat het hof niet heeft vastgesteld of de bepaling als bedoeld in art. 22b, tweede lid sub 2° al dan niet aan de orde is en mede gezien het op 22 mei 2015 onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Breda waarbij de verdachte reeds was veroordeeld (voor soortgelijke feiten) tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en een onvoorwaardelijke werkstraf van 240 uur.