Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro in cassatie is overschreden.
tweede middelbevat de klacht dat het hof zonder daartoe in het bijzonder de redenen op te geven, is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de verdachte de winst uit de hennepkwekerij aan de [a-straat 1] in Tilburg pondspondsgewijs heeft gedeeld met [A] . [2]