Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof niet met redenen omkleed heeft beslist op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, inhoudende dat een andere strafmodaliteit is aangewezen.
NJ2015/227 m.nt. Vellinga-Schootstra. In deze zaak had de raadsvrouwe van de verdachte in hoger beroep (een strafmaatappel) verzocht om aan de verdachte geen taakstraf op te leggen, althans aan hem een lagere straf op te leggen dan in eerste aanleg was opgelegd. Daartoe had de raadsvrouwe gewezen op recente ontwikkelingen ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder zijn behandeling in een kliniek en de positieve wending daarvan. Het hof was in zijn arrest van dit standpunt afgeweken door de verdachte te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van twintig uren. Daarbij had het hof volstaan met een “kale bevestiging” van het vonnis van de politierechter. De Hoge Raad achtte het kennelijke oordeel van het hof dat de omstandigheid dat de verdachte in een kliniek een behandeling ondergaat (met welke omstandigheid de politierechter nog geen rekening kon houden) er niet aan in de weg staat het vonnis te bevestigen en hem ook in hoger beroep een taakstraf voor de duur van twintig uren op te leggen, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat het ondergaan van een taakstraf in het strafmaatverweer op zichzelf niet werd uitgesloten.
NJ2015/227 m.nt. Vellinga-Schootstra, was in het verweer de oplegging van een straf van de soort zoals door het hof is opgelegd op zichzelf niet uitgesloten. De raadsvrouwe heeft ter onderbouwing van haar standpunt alleen opgemerkt dat de verdachte meer dan tweeëneenhalf jaar geleden is aangehouden, dat de verdachte sinds die aanhouding niet meer is veroordeeld voor enig feit, dat de in eerste aanleg opgelegde straffen in het licht daarvan disproportioneel zijn en dat de verdachte een alcoholprobleem en een middelenprobleem heeft. De raadsvrouwe heeft de gestelde problemen van de verdachte op het gebied van alcohol en middelen niet nader onderbouwd, terwijl de verdachte zelf op de terechtzitting in hoger beroep niet is verschenen om daarop een nadere toelichting te geven. [6] Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe bij de bespreking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte overigens meegedeeld dat zij over de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte niets naar voren wenst te brengen.