Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
€135.524 (hierna: de verliezen tot en met 2002).
3.Het geding in cassatie
Beroepschrift in cassatie
4.Verliesverrekening
5.Strijd met artikel 1 EP Pro EVRM en ongeschreven rechtsbeginselen?
BNB2005/227 betreft de nieuwe landbouwvrijstellingregelgeving, die voor belanghebbende tot gevolg had dat tot de inwerktreding aangegroeide waardestijging van de ondergrond van zijn bedrijfswoning niet langer belastingvrij kon worden genoten. De Hoge Raad heeft als volgt geoordeeld: [48]
BNB2008/34 betreft een belanghebbende die meende dat zijn eigendomsrecht was geschonden doordat hij na de invoering van de Wet IB 2001 niet langer zijn verliezen tussen de drie boxen kon verrekenen. Zijn beroep faalde: [49]
BNB2009/238 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij terugwerkende kracht van belastingwetgeving moet worden beoordeeld of op de genieter van het eigendomsrecht, door de invoering van de wetgeving niet een onredelijke last wordt gelegd: [50]
BNB2016/164 tot het oordeel gekomen dat (de verlenging van) de crisisheffing niet in strijd met artikel 1 EP Pro EVRM is: [51]
BNB2014/229 heb ik het volgende over materieel terugwerkende kracht geschreven: [67]
interference) met het ongestoorde genot van dit eigendom?
interference?
interferencetot gevolg heeft rechtmatig (
lawful)?
legitimate aim) voor de
interference?
fair balancetussen het nagestreefde algemene belang en individuele rechten op regelniveau?
excessive individual burden?
6.Beschouwing en beoordeling van het cassatieberoep
carry forwardkenden (vergaderjaar 2005/2006), al dan niet aan voorwaarden verbonden. In het jaar 2016 is dat aantal gestegen naar 15/25 landen. [83]
BNB2016/164 geoordeeld dat de met terugwerkende kracht ingevoerde crisisheffing aan het vereiste van ‘lawfulness’ voldeed. [86] Pauwels heeft uit het arrest M.A. en 34 anderen/Finland afgeleid dat terugwerkende kracht niet in strijd met de ‘lawfulness’-eis hoeft te komen. [87]
BNB2016/164 is dat slechts anders indien er specifieke en dwingende redenen zijn voor de aantasting van gerechtvaardigde verwachtingen. [99] Uit het voorstaande blijkt dat dergelijke redenen niet aanwezig zijn.