De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €367.448,08. De betrokkene werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen. Het hof baseerde zijn oordeel mede op contante stortingen en opnames, die als voorwerpen van gewoontewitwassen werden gezien. De Hoge Raad oordeelt dat dit standpunt onjuist is zonder nadere motivering.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat het enkel voorhanden hebben van geldbedragen die verband houden met witwassen niet automatisch betekent dat deze bedragen ook daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel opleveren. Er moet een nadere motivering zijn dat de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft genoten door middel van of uit de baten van het witwassen.
In deze zaak heeft de betrokkene onder meer een lening afgelost, verbouwingskosten betaald en vlieglessen gevolgd met witwasgeld, wat wel als daadwerkelijk voordeel kan worden aangemerkt. Echter, de contante stortingen van €40.080,00 op een privébankrekening leiden niet tot een toename van vermogen of schuldvermindering en vormen daarom geen wederrechtelijk verkregen voordeel.
De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de contante stortingen betreft en stelt voor dat het hof het bedrag van €40.080,00 in mindering brengt op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarmee wordt het arrest deels vernietigd en wordt de zaak mogelijk door de Hoge Raad zelf afgedaan.