Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.De bespreking van het cassatiemiddel
RvdW2006/921, oordeelde de Hoge Raad dat alle beslissingen die de rechter-commissaris neemt in het kader van de uitoefening van zijn in art. 66 Fw Pro gegeven bevoegdheden voor de toepassing van art. 67 Fw Pro dienen te worden aangemerkt als beschikkingen, met uitzondering van maatregelen die enkele worden genomen ter verzekering van de geregelde loop van het getuigenverhoor, zoals dagbepalingen, oproepingen en maatregelen ter bevordering van een ordelijk verloop van het verhoor. [4]
RvdW2006/921, en het mitsdien geen beschikking van de rechter-commissaris was in de zin van art. 67 Fw Pro, zodat de rechtbank de verzoeker terecht niet-ontvankelijk had verklaard. [5] Zie in deze zin over art. 67 Fw Pro ook HR 6 oktober 2006,
NJ2010/185 ( [...] /Curatoren).
NJ2011/211 (Qwest/Vereniging van Effectenbezitters) oordeelde de Hoge Raad ten aanzien van het ingestelde cassatieberoep tegen brieven die door de secretaris van de ondernemingskamer waren verstuurd, dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat deze brieven geen beslissingen bevatten die ingrijpen in de rechten van partijen, doch alleen dienen ter bevordering van een ordelijk verloop van de procedure en met name het processuele debat. [6] In mijn conclusie bij dat arrest heb ik ten aanzien van de ontvankelijkheidsvraag van het beroep gericht tegen die brieven aangegeven dat mogelijk een parallel kan worden gevonden met rolbeschikkingen die niet ingrijpen in de rechten van partijen en die slechts strekken ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van de geregelde loop van de zaak, zoals de bepaling van termijnen voor conclusies. [7] In dat kader verwijs ik hier bijvoorbeeld naar art. 131 Rv Pro, waarin is bepaald dat tegen de beslissing van de rechter om al dan niet een comparitie van partijen te bevelen geen hogere voorziening openstaat, alsook naar art. 132 lid 4 Rv Pro dat bepaalt dat tegen de beslissing van de rechter om al dan niet re- en dupliek en/of nadere conclusies toe te staan geen appel mogelijk is.
RvdW2017/107, ter onderbouwing van haar standpunt dat een oproep voor verhoor ex art. 105 Fw Pro een appellabele beschikking zou zijn, maakt het voorgaande niet anders. [8] In die procedure ging het om de vraag of de afwijzing door rechter-commissaris van het verzoek om van een door hem gelast verhoor op grond van art. 66 en Pro 105 Fw af te zien, misbruik van bevoegdheid opleverde en om de vraag in welke gevallen de rechter-commissaris dient te motiveren waarom hij overgaat tot een verhoor op voet van art. 66 en Pro 105 Fw. Dit betreft dus een andere situatie dan die thans ter beoordeling voorligt.