Conclusie
[verweerster 1],
[verweerster 2],
Beoordeling
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelricht een motiveringsklacht tegen de tweede tot en met zesde volzin uit rov. 3.4 en klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat [eiser] in de veronderstelling was dat hij een huurovereenkomst met [verweerster 2] had gesloten en daarom niet [verweerster 1] heeft gedagvaard. Dit is volgens de klacht een onbegrijpelijke uitleg van de eerste grief tegen het oordeel dat [verweerster 2] geen partij was bij de huurovereenkomst, omdat die grief aanvoert dat [verweerster 2] had moeten begrijpen dat de dagvaarding voor haar moeder bedoeld was en het verweer aan haar had moeten overlaten, waar de kantonrechter [verweerster 2] op zou hebben moeten wijzen. De klacht wil dit vastknopen aan de stelling bij pleidooi in appel zijdens [eiser] dat de enige grief de hoedanigheid van de gedagvaarde persoon betreft, die ‘gewoon’ [verweerster 1] zou zijn.
aangenomendat [eiser] in de veronderstelling was dat hij een huurcontract had met [verweerster 2] en daarom niet [verweerster 1] in rechte heeft betrokken. Het hof overweegt dat [eiser] heeft
aangevoerddat hij in de veronderstelling was dat hij contracteerde met [verweerster 2] (met op de achtergrond de gedachte: en dus niet met [verweerster 1] ). Hij heeft weliswaar ook het tegenovergestelde standpunt betrokken – van een consequente positiebepaling kan [eiser] niet worden beticht, maar dat hij ook heeft aangevoerd dat hij meende met [verweerster 2] te hebben gecontracteerd, valt onder meer te halen uit de zijdens [eiser] ter voorbereiding op de comparitie na aanbrengen bij brief van 14 oktober 2014 gefourneerde stukken, met name de daarbij gevoegde brief van mr. Schuckink Kool van 23 augustus 2014 uit de tegen hem door [verweerster 2] gestarte tuchtrechtelijke klachtprocedure, 3e alinea, waarin hij stelt dat hij van [eiser] begrepen heeft dat deze ter zitting (zonder zijn bijstand) heeft verklaard dat [verweerster 2] niet degene was die de handtekening onder het huurcontract heeft geplaatst, dat onduidelijkheid bestaat over degene die dat wel heeft gedaan, maar dat hij meent dat ondanks deze verklaring [verweerster 2] wel als verhuurder mag worden aangemerkt en dat [eiser] betwist dat [verweerster 2] niet bij de huurovereenkomst betrokken is geweest. Niet onbegrijpelijk is dat dat kan worden aangemerkt als aanvoeren dat [eiser] in de veronderstelling was dat hij met [verweerster 2] had gecontracteerd en daarom [verweerster 1] niet in rechte heeft betrokken, zodat de klacht in zoverre feitelijke grondslag mist.
tweede onderdeel, eerste gedeelteklaagt over de verwerping van [eiser] ’s betoog in rov. 3.4 (zevende en achtste volzin) dat [verweerster 1] zich heeft voorgedaan als een persoon met wiens gegevens alleen kan worden uitgekomen bij haar dochter [verweerster 2] . Dat strandt bij het hof op de hiervoor in 2.5 weergegeven punten 4) en 5): eigen verklaring in aangifte van [eiser] dat hij bij [verweerster 1] huurde (wonend in [b-straat] – dochter [verweerster 2] woonde aan de [a-straat] op hetzelfde adres) en zijn verklaring ter comparitie dat [verweerster 1] het contract als verhuurder heeft getekend. Het onderdeel voert aan dat de gelijkluidende namen van [verweerster 1] en [verweerster 2] en het vermelden van het woonadres van de dochter bij ondertekening zonder gebruikmaking van voorletters, zo veel onduidelijkheid heeft gecreëerd, dat ‘welhaast’ bij [verweerster 2] uitgekomen moet worden, waar de punten 4) en 5) niet tegen kunnen opwegen.
tweede onderdeel, tweede gedeelteklaagt dat deze motivering uit de zo-even bedoelde laatste drie volzinnen van rov. 3.4 op een miskenning zou berusten van hetgeen door [eiser] is aangevoerd en dat de registers, waaronder de kadastrale, zijn geraadpleegd. Ik meen dat deze klacht niet met voldoende in cassatie te verlangen precisie (met vindplaatsen uit de stukken) aankaart waar hem hier de schoen zou wringen, zodat deze motiveringsklacht niet kan slagen.
derde onderdeelis gericht tegen rov. 3.5, waarin de stelling van [eiser] wordt verworpen dat [verweerster 2] niet geschaad zou zijn door het feit dat de dagvaarding ‘op haar naam staat’ maar qua inhoud kennelijk bestemd is voor haar moeder. Volgens de klacht was dit een stelling van [eiser] ten overvloede waar het hof niet aan toe had behoren te komen. Toen het hof constateerde dat [verweerster 2] geen verhuurder was en de dagvaarding kennelijk bedoeld was voor [verweerster 1] , had het hof [verweerster 2] geen verweer moeten laten voeren, ‘maar moeten doorzien dat [verweerster 2] in het geding slechts als schijnpartij optrad en de echte gedaagde/geïntimeerde niet verschenen was. In plaats van het verweer toe te staan en daarop inhoudelijk te reageren, had het moeten constateren dat hier van een niet verschijnen van de gedaagde/ geïntimeerde partij sprake was en na moeten gaan of er tot verstekverlening overgegaan kon worden’ aldus deze klacht. De ‘procesopstelling’ van [eiser] zou moeten worden gezien ‘als een oproep aan het Hof in die zin, gelet op diens ingenomen standpunt dat niet [verweerster 2] , maar [verweerster 1] . de gedagvaarde persoon was.’
materieel gebrek in een partijaanduidingdat door het hof zou zijn miskend – maar ik lees dat bepaald niet duidelijk en precies genoeg in het onderdeel, dat als gezegd volgens mij aandraagt dat (zonder dat sprake is van enige herstelpoging zijdens [eiser] , voeg ik daar aan toe) verstekverlening tegen de materieel beoogde, maar formeel niet gedagvaarde partij had moeten worden onderzocht – kaart ik het volgende aan. Daarbij staat voorop dat moet worden onderscheiden tussen aanduiden/dagvaarden van een verkeerde persoon enerzijds (in ons geval: niet de verhuurster) en anderzijds het weliswaar dagvaarden van de juiste persoon (dus anders dan in ons geval: op zich zelf wel de (voormalige) juridische verhuurster), maar met een gebrek in de juistheid van de aanduiding van die juiste persoon, waarop het volgende exposé ziet.
een verkeerde identificatie van de partijstellinggeen abuis is dat zich steeds leent voor verbetering van de aanduiding van een procespartij in de hiervoor besproken zin. Daar was voor een belangenafweging op grond van de goede procesorde in beginsel geen plaats. Maar sinds de arresten
Gem. Haarlem/ [...] e.a. [6] ,
[...] / [...] [7] , [...] /ABN AMRO [8] en
AWH/ [...] e.a. [9] is een verschuiving te zien meer in de richting van de wilsvertrouwensleer: als het de wederpartij meteen duidelijk moest zijn wie met de partijnaamaanduiding was bedoeld en er geen rechtens te respecteren belang is bij een beroep op de onjuiste partijaanduiding, leidt de fout niet tot niet-ontvankelijkheid bij tijdig herstel. Dit is voorlopig geculmineerd in
Montis/ [...] II [10] , maar die zaak gaat uitsluitend over procespartijaanduiding in een volgende instantie en verschilt op dit punt met onze zaak. Knigge/Zilinsky achten het evenwel voorstelbaar dat de regel uit dit arrest, dat een verschenen partij wijziging verzoekt in haar partijaanduiding op de grond dat een vergissing is begaan in die aanduiding of een partijwisseling heeft plaatsgevonden, welk verzoek toewijsbaar is, tenzij de wederpartij stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat zij daardoor onredelijk in haar belangen wordt geschaad, ook zal gelden bij een vergelijkbaar gebrek in de partijaanduiding in de inleidende dagvaarding in eerste instantie, waarbij het gebrek in de partijaanduiding dan zonodig middels een herstelexploot wordt geredresseerd [11] . Het is de vraag of je deze aldus naar de eerste aanleg overgehevelde leer zou kunnen doortrekken naar een gebrek in de partijaanduiding van de
gedaagde partij(in
Montis/ [...] IIging het om een op naam van een kort voor de cassatiedagvaarding door juridische fusie ‘verdwenen’ vennootschap uit de eerdere instanties, dus als eiseres) neerkomend op een
partijwissel aan de zijde van gedaagdeals in onze zaak [12] . Overigens zou dit vervolgens in onze zaak er nog op stranden dat [eiser] helemaal geen herstelpogingen heeft gedaan door een verzoek tot naamswijziging of het uitbrengen van een herstelexploot; het is goed dat in het oog te houden [13] .
A./Seacon Logistics [14] .Maar de specifieke situatie die daar aan de orde was, verschilde op de volgende springende punten met de onze: 1) daar was al tegen twee in voorgaande instanties op correcte wijze in rechte betrokken vennootschappen geprocedeerd, waarna 2) vervolgens door een eigenmachtige fout van de deurwaarder cassatie werd ingesteld jegens de vennootschap waar in hoger beroep al van gewonnen was in plaats van tegen de vennootschap waarvan in cassatie nog zou kunnen worden gewonnen [15] , 3) hetgeen voor betrokkenen aan verweerderskant ook direct evident was, namelijk 4) af te leiden uit de cassatiedagvaarding die was betekend 5) aan de (middellijk) bestuurder van beide vennootschappen en 6) aan hun advocaat in feitelijke instanties, optredend voor beide vennootschappen. Dat zijn wel zeer specifieke omstandigheden die zich allemaal niet voordoen in onze zaak.
[...]/S. [16] , waarin de cassatiedagvaarding aan de WSNP-bewindvoerder had moeten worden uitgebracht in plaats van aan (alleen) verweerder. A-G Vlas meende dat repareren te ver ging, maar Uw Raad oordeelde dat niet-ontvankelijkheid niet op zijn plaats was. Weliswaar was eiseres op de hoogte van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verweerder, zodat moest worden aangenomen dat het uitbrengen van de cassatiedagvaarding aan alleen verweerder op een vergissing berustte en dat verweerder dat moet hebben begrepen, maar dat werd onvoldoende geoordeeld om in de cassatiedagvaarding de bewindvoerder te lezen voor verweerder (zelfs als verweerder geen rechtens te respecteren belang had zich daartegen te verzetten, omdat dan niet is gewaarborgd dat de bewindvoerder van het beroep op de hoogte was en daadwerkelijk in het cassatiegeding was betrokken). Niet-ontvankelijkheid is in die zaak niettemin afgewezen op een grond eigen aan het systeem van de schuldsaneringsregeling, zodat gelegenheid werd gegeven de bewindvoerder in het geding te roepen.
Seacon-leer kan worden doorgetrokken naar dagvaarding van een verkeerde partij in eerste aanleg (dochter in plaats van moeder, wonend op verschillende adressen, zodat de dagvaarding ook alleen bij de dochter is betekend en er geen sprake is van eerdere gezamenlijke betrokkenheid in rechte of een gemeenschappelijke advocaat), lijkt mij zeer de vraag, bijzondere omstandigheden daargelaten; ik zou dat in zijn algemeenheid niet zonder meer willen bepleiten en zie dat bevestigd in het evengenoemde
[...]-arrest voor wat betreft de waarborgkwestie. De rechtszekerheid komt dan in het geding. Voor het gezag van gewijsde en de uitvoerbaarheid van een vonnis moet vaststaan tussen welke partijen dat vonnis geldt. In de woorden van A-G Langemeijer in diens conclusie voor
Montis/ [...] IIonder 3.9: ‘Daarmee strookt in het algemeen wel het herstel van een kennelijke verschrijving in de naamsaanduiding van een procespartij, in welk geval de procespartij immers één en dezelfde blijft. Daarmee strookt in het algemeen minder goed de vervanging als procespartij van de ene rechtspersoon door de andere.’
kennelijkevergissing in de in de rechtspraak bedoelde zin. Uit die brief blijkt dat er bij hem op dat moment onduidelijkheid bestond over de juiste eigenaresse en verhuurster. Het lijkt er dan ook sterk op dat de verkeerde partij is gedagvaard in de onjuiste veronderstelling dat [verweerster 2] eigenaresse/verhuurster was, waarbij tevoren niet voldoende nauwgezet is nagegaan wie de juiste eigenaresse/verhuurster was. Dan is er in beginsel al geen plaats voor reparatie. JIN-annotator De Boer onder
A./Seacon Logistics(sub 5) merkt op dat bij onjuiste naamsvermelding van verweerder in cassatie die vergissing meestal niet kenbaar is voor de wederpartij en dat deze meestal ook wordt benadeeld als een onjuiste naamsvermelding van diens naam zo zou mogen worden hersteld. Dat lijkt mij ook.
A./Seacon Logistics.Ook dan is sprake van partijwisseling, maar die zou dan mogelijk anders kunnen worden gewaardeerd. Ik teken daar wel bij aan dat uit het vonnis van de kantonrechter zelf verder niet blijkt dat moeder en dochter [verweerster 2] ter zitting in eerste aanleg zijn verschenen en dat [verweerster 2] daar zou hebben verklaard als door haar aangegeven blijkens het proces-verbaal van comparitie in hoger beroep.