Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
mr. P.J. Wattel
Advocaat-Generaal
Prejudiciële procedure ex art. 27ga AWR
1.Overzicht
Aldewereld [5] en
Kik [6] meent de Rechtbank mijns inziens terecht dat de belanghebbende onder de personele en territoriale reikwijdte van Vo. 883/2004 valt. Dan moet in (het systeem van) die Verordening een aanwijsregel opgespoord worden die exclusief één lidstaat aanwijst als bevoegd voor de sociale verzekeringen.
Aldewerelden
Kik, die gewezen zijn onder de oude Verordening 1408/71, meent de Rechtbank dat die oude Verordening de Nederlandse wetgeving zou aanwijzen omdat Nederland de werkgeverstaat is. Uit het
Kik-arrest maakt zij op dat als geen van de in de (oude) Verordening gestelde reguliere aanwijsregels op de situatie van de betrokkene ziet, het
Aldewereld-arrest moet worden toegepast. Dat arrest houdt in dat als voldoende aanknoping aan de EU bestaat maar de Verordening geen EU-lidstaat aanwijst, die lidstaat bevoegd is waarmee de nauwste aanknoping bestaat, en dat in dat opzicht aan de vestigingsplaats van de werkgever meer gewicht toekomt dan aan de woonplaats van de werknemer.
Aldewereldzou in casu dus leiden tot toepassing van het Nederlandse stelsel omdat belanghebbendes werkgever in Nederland is gevestigd.
Aldewereld-leer, zoals toegepast in
Kik, nog opgeld doet onder de nieuwe Verordening 883/2004 die – anders dan de oude – een algemeen geformuleerde restbepaling bevat (art. 11(3)(e) Vo. 883/2004) die de woonstaat aanwijst als geen van de andere aanwijsregels van art. 11 Vo Pro. 883/2004 van toepassing is. De Rechtbank twijfelt over de vraag of die nieuwe restbepaling ondanks haar duidelijke tekst en haar plaatsing als sluitstuk van de herziene aanwijsregels mogelijk alleen op economisch niet-actieve personen ziet, nu daarvoor diverse aanwijzingen bestaan.
Aldewerelden
Kiknog steeds gelden en voorzien in toepassing van een reguliere, weliswaar niet rechtstreeks toepasselijke, maar nabije aanwijsregel (de zeevarendenbepaling), zodat de werkgeverstaat Nederland wordt aangewezen; of (ii)
Aldewerelden
Kikzijn alleen relevant als geen geschreven aanwijsregel rechtstreeks van toepassing is. Het nieuwe art. 11(3)(e) is naar zijn tekst rechtstreeks van toepassing op de belanghebbende, zodat de nieuwe Verordening de
Aldewereld/
Kik-rechtspraak overbodig maakt, tenzij deze restbepaling net zoals het oude art. 13(1)(f) Vo. 1408/71 alleen zou zien op inactieven. In dat laatste geval gelden
Aldewerelden
Kiknog steeds en is de Nederlandse wetgeving van toepassing. Ziet de restbepaling echter op iedereen binnen de werkingssfeer van de Verordening die niet valt onder (a) t/m (d) van art. 11(3) Vo. 883/2004, dan wordt de woonstaat Letland exclusief aangewezen en is de belanghebbende in Nederland noch verzekerd, noch premieplichtig.
Aldewereld- en
Kik-rechtspraak is ontwikkeld voor gevallen waarin een persoon, hoewel hij zijn werkzaamheden buiten de EU verricht, voldoende personele en territoriale aanknoping aan de EU heeft/behoudt (in casu zowel zijn woonplaats als de vestiging van zijn werkgever) én zich een intra-EU grensoverschrijdend aspect voordoet (doordat woon- en werkgeverstaat verschillende lidstaten zijn), maar de Verordening desondanks geen lidstaat aanwijst omdat de Europese wetgever zijn geval niet voorzien heeft (aanwijzing van de vlagstaat leidt tot niets omdat die geen lidstaat is). Deze arresten zijn rechterlijke improvisatie om te voorkomen dat de Verordening niet aan zijn doel (coördineren en voorkoming van verzekeringsvacua) kan beantwoorden bij gebrek aan een rechtstreeks toepasselijke exclusieve aanwijsregel. Zo’n rechtstreeks toepasselijke aanwijsregel is er onder Vo. 883/2004 wél (art. 11(3)(e)). De echte wetgever heeft in het vacuüm voorzien en voor wetgever-plaatsvervanging is daarom mijns inziens geen plaats meer in gevallen zoals dat van de belanghebbende.
Kuusijärvievenmin aanleiding om art. 13(2)(f) van de oude Verordening beperkter te lezen dan diens tekst luidde; hij overwoog integendeel expliciet dat de beweerdelijke beperking van die oude bepaling tot alleen definitieve pensionados er niet in te lezen viel. De tekst en het afpelsysteem van art. 11(1) Vo. 883/2004 leiden mijns inziens naar de conclusie dat belanghebbendes geval onder art. 11(3)(e) Vo. 883/2004 valt. Dat het HvJ EU in
Kikhet oude art. 13(2)(f) Vo. 1408/71
niettoepasselijk achtte, is irrelevant, nu het Hof die conclusie uitsluitend baseerde op het gegeven dat die oude bepaling, anders dan art. 11(3)(e) Vo. 883/2004, eiste dat de betrokkene was opgehouden onderworpen te zijn aan de wetgeving van een lidstaat zonder elders verzekerd te geraken (hetgeen bij Kik niet het geval was). Het lijkt mij uitgesloten dat die toepassingsbeperking zonder enige bedoeling vervallen zou zijn in de nieuwe Verordening. Het strookt ook met de vereenvoudigings-, moderniserings- en vervangingsdoelen van de nieuwe Verordening dat zij voorziet in een onder de oude Verordening node gemiste restbepaling in een aanzienlijk vereenvoudigd aanwijssysteem dat door die vereenvoudiging en restbepaling uiteraard mogelijk wel eens tot een andere toewijzing zou kunnen leiden dan onder de oude, onoverzichtelijke en incomplete Verordening.
acte clairdat de keuze tussen woonstaat en werkgeverstaat in casu bepaald wordt door art. 11(3)(e) Vo. 883/2004 en niet meer door de door die bepaling achterhaalde
Aldewereld- en
Kik-rechtspraak.
clair, en zelfs
éclairé, is mijns inziens dat als de niet-aangewezen lidstaat de betrokkene naar intern recht niet verzekert (zoals in casu, hetgeen de belanghebbende onderscheidt van Kik, die naar intern recht wel was verzekerd in Nederland), die niet-aangewezen lidstaat hem niet desondanks hoeft te verzekeren als de wél-aangewezen lidstaat hem niet daadwerkelijk aansluit bij een verzekeringsstelsel. Anders dan Kik, verliest de belanghebbende immers geen Nederlandse rechten (en plichten) als de Verordening Letland aanwijst: hij heeft alsdan immers naar intern recht helemaal geen Nederlandse rechten of plichten, zodat er geen grond kan bestaan hem te beschermen tegen verlies van die niet-bestaande rechten en plichten. Ik meen dat deze conclusie ook voortvloeit uit het arrest
Zinnecker [7] van het HvJ EG/EU.
2.De feiten en het geschil
Aldewereld-rechtspraak niet van toepassing is omdat er geen positief wetsconflict is (hij is immers niet verzekerd in Nederland), noch een voorafgaande Nederlandse verzekeringsplicht (hij is nooit verzekerd geweest in Nederland).
Aldewereld-rechtspraak ook onder de nieuwe Verordening nog geldt en tot het volgende leidt: art. 11(4) geldt specifiek voor zeevarenden; die bepaling kan echter niet rechtstreeks worden toegepast omdat het zeeschip onder een derde-landvlag voer; dan moet volgens de jurisprudentie van het HvJ EU zo dicht mogelijk bij de aanwijsregel worden gebleven die geldt voor de vrijwel identieke arbeidssituatie die wel bestreken wordt; dat is – toch – die zeevarendenbepaling; daarom moet aansluiting worden gezocht bij het land waar de werkgever gevestigd is: Nederland. De restbepaling van art. 11(3)(e) Vo. 883/2004 is volgens de Inspecteur alleen van toepassing op inactieven.
De overwegingen van de Rechtbank, de opmerkingen van de partijen en de commentaren in de literatuur
Kik(zie hierna 5.8 en 6.3). Evenmin is in geschil dat de nieuwe Verordening (desondanks) op de belanghebbende van toepassing is omdat er voldoende aanknoping met het grondgebied van de EU is, nl. zowel de woonplaats van de belanghebbende als de vestigingsplaats van de werkgever.
Aldewereld(zie 5.7 en 6.1 hierna) gestelde regel – die het HvJ EU in de zaak
Kikheeft doorgetrokken naar zeevarenden zoals de belanghebbende – dat de werkgeverstaat is aangewezen als noch de algemene aanwijzing ex art. 13(2)(a) (oud) van toepassing is (omdat de belanghebbende niet op het grondgebied van een lidstaat werkte), noch de speciale aanwijsregel voor zeevarenden (art. 13(2)(c) (oud)) omdat de belanghebbende, net als Kik, op een zeeschip onder een derde-staatvlag werkte.
Kik-geval, waarmee de Rechtbank belanghebbendes geval vergelijkbaar acht. Volgens de ene opvatting (van de annotator in
BNB2015/107) wordt in een
Kik-situatie ook onder de nieuwe Verordening de wetgeving van de werkgeverstaat aangewezen omdat de specifieke toewijzing voor zeevarenden (art. 13(4) Vo. 883/2004) niet geldt als de vlagstaat geen lidstaat is en men dan volgens
Aldewereldde aanwijsregel voor het vrijwel identieke geval moet toepassen, zodat men aan de restbepaling niet toekomt. Dat betekent dat de werkgeversstaat – als dat een lidstaat is, zoals in casu – nog steeds vóórgaat op de woonstaat. Volgens de andere opvatting (de commentaren in
NTFR2015/1189 en
V-N2015/17.10) moet, als de zeevarendenbepaling niet van toepassing is, worden bezien of een andere aanwijsregel van toepassing is voordat aan
Aldewerelden
Kikwordt toegekomen. In deze opvatting komt de nieuwe restbepaling wél aan de orde, tenzij zij alleen op inactieven of post-actieven zou zien.
Aldewerelduitdrukkelijk overwoog, voordat hij de werkgeverstaat aanwees, dat de oude Verordening geen bepaling bevatte die rechtstreeks op Aldewereld’s situatie zag.
V-N2017/24.13 tekende bij deze verwijzing aan:
NLF2017/0980) daarentegen acht verwijzing naar Luxemburg onnodig (ik laat voetnoten weg):
Lopes da Veiga [8] gaat mijns inziens voorts niet over de
keuzetussen twee in aanmerking komende lidstaatstelsels (stelselaan
wijzing), maar over de prealabele vraag of überhaupt voldoende aan
knopingmet de EU bestond. Dat voldoende aanknoping bestaat met EU-grondgebied, is in onze zaak echter kennelijk niet in geschil. Volledigheidshalve citeer ik de relevante overwegingen uit
Lopes da Veiga:
NTFR2017/1440) meent dat het HvJ EU in de zaak
Kikverzekeringsplicht in de werkgeverstaat heeft aangenomen omdat onder de oude Verordening geen vangnetbepaling voor
Kik-gevallen bestond. De nieuwe Verordening bevat echter wel een algemene vangnetbepaling, die tot verzekeringsplicht in de woonstaat leidt. Als aldus op basis van art. 11(3)(e) Letland wordt aangewezen, is de tweede vraag van de Rechtbank volgens Steijn niet meer relevant vanwege de exclusiviteit van aanwijzing onder de Verordening.
Aldewereld-jurisprudentie heeft achterhaald en in casu exclusief de woonplaatswetgeving aanwijst, ongeacht of die wetgeving in adequate verzekering voorziet, nu dat een aangelegenheid van uitsluitend de aangewezen lidstaat is. De opmerkingen van de NOB zijn
onlinete raadplegen. [9] De belanghebbende heeft zijn instemming betuigd met de zienswijze van de NOB; de Staatssecretaris acht die zienswijze onjuist.
4.De regelgeving
Aldewereld-beleid ook in KB 746 opgenomen door toevoeging van art. 11a op grond waarvan een persoon verzekerd is voor de Nederlandse volksverzekeringen indien hij een EU/EER/Zwitserse nationaliteit heeft, niet in Nederland maar in de EU/EER/Zwitserland woont, in dienst is van een in Nederland wonende of gevestigde werkgever en voor die werkgever arbeid verricht buiten Nederland/EER/Zwitserland.
Aldewereldonder de vigeur van de nieuwe Verordening het volgende op (ik laat voetnoten weg):
In ’t Veld. [21] en
Bakker [22] ; PJW] ook van belang zijn voor de toepassing van Vo. 883/2004.”
Verzekering naar intern recht; de personele en territoriale reikwijdte van Vo. 883/2004
Kik-arrest, geen aanleiding om de partijen daarin niet te volgen. In de zaak
Salemink [23] oordeelde het HvJ EU dat het continentale plat voor de toepassing van de sociale-zekerheidsverordeningen als grondgebied van een lidstaat geldt als die lidstaat er exclusieve soevereine rechten ter exploratie van lokale natuurlijke rijkdommen uitoefent. Werkzaamheden verricht op dat deel van het continentale plat worden beschouwd als werkzaamheden op het grondgebied van die lidstaat. Ik ga ervan uit dat de Rechtbank in r.o. 4.2. bedoelt dat het zeeschip zich ten tijde van belanghebbendes werkzaamheden bevond op een deel van het continentale plat waar geen lidstaat exclusieve soevereine exploratierechten uitoefende, ook Duitsland niet. Zou Duitsland aldaar wél dergelijke rechten uitoefenen, dan zouden belanghebbendes werkzaamheden op Duits grondgebied hebben plaatsgevonden en zou de nieuwe Verordening Duitsland aanwijzen.
Aldewerelden
Kikvan het HvJ EU) met het grondgebied van de EU. Ik meen dat dat uitgangspunt juist is, maar neem volledigheidshalve, nu het om een rechtsvraag gaat, de desbetreffende autoriteit hieronder op.
Aldewerelden
Kik.
Aldewereld [28] betrof een in Nederland wonende Nederlander die onmiddellijk na zijn indiensttreding bij een in Duitsland gevestigde onderneming werd uitgezonden naar Thailand, waar hij in 1986 werkte. Op zijn in 1986 genoten salaris werden in Duitsland sociale-zekerheidspremies ingehouden, maar ook de Nederlandse fiscus eiste premiebetaling omdat Aldewereld Nederlands ingezetene was. Het HvJ EG/EU overwoog als volgt over de vraag of de Verordening überhaupt van toepassing was:
Kik [29] betrof een Nederlander die in Nederland woonde en in 2004 aan boord van een onder Panamese vlag varende pijpenlegger werkte, zulks tot 1 juni in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever, en vanaf 1 juni in dienst van een in Zwitserland gevestigde werkgever. Zwitserland geldt voor de sociale-verzekeringsverordeningen als lidstaat. [30] Kik’s salaris bleef tot 24 augustus 2014 onderworpen aan de Nederlandse inkomstenbelasting en hij bleef tot die datum naar intern recht in Nederland verzekerd. Van 1 juni t/m 24 augustus 2004 bevond het schip waarop hij werkte zich achtereenvolgens boven het continentale plat van een derde staat, in internationale wateren en boven het continentale plat van Nederland en het Verenigd Koninkrijk. In geschil was of Kik in dat tijdvak op basis van de oude Verordening verzekerd en dus premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen. Het geschil betrof zowel de personele en territoriale reikwijdte van de oude Verordening, als – indien zij van toepassing zou zijn – de toe te passen aanwijsregel. Ik citeer hier de overwegingen van het HvJ EU over het toepassingsbereik van de Verordening; die over de toe te passen aanwijsregel citeer ik in onderdeel 6.3 hieronder. Over het toepassingsbereik van de oude Verordening overwoog het HvJ EU:
nietverzekerd is in Nederland en wellicht evenmin in Letland. Voldoende voor de activering van (sterke werking van) de Verordening is kennelijk dat hij zowel zijn woonplaats als zijn werkgever in (verschillende) lidstaten heeft. U zie met name de laatste volzin van r.o. 44 van
Kik.
Kikafgeleid dat Vo. 1408/71 wegens onvoldoende aanknoping met de EU niet toepasbaar was op een zeevarende Nederlander die weliswaar in Nederland woonde, in Nederland belasting betaalde en onder Nederlandse vlag voer, maar die niet op EU-grondgebied werkte maar aan boord van de Holland-Amerika Lijn, die in dienstbetrekking was bij een Amerikaans bedrijf, op wiens arbeidscontract Amerikaans recht van toepassing was en die zijn loon in dollars ontving:
Stelselaanwijzing onder de oude Vo. 1408/71 en onder de nieuwe Vo. 883/2004 bij ontbreken van een rechtstreeks toepasselijke aanwijsregel
Aldewereld(Nederlander, woonachtig in Nederland, in dienst bij een Duitse werkgever, werkzaam in Thailand), voorzag het HvJ EG/EU als volgt in een onder de oude Verordening ontbrekende aanwijsregel voor Aldewereld’s geval:
Aldewereldeen beperkt toepassingsgebied heeft: er moet volgens hen een positief wetsconflict zijn, inhoudende dat naar het interne recht van de betrokken lidstaten de wetgevingen van beide lidstaten (werkgeverstaat en woonstaat) gelijktijdig van toepassing zijn.
Kik(Nederlander, woont in Nederland, werkt buiten de EU aan boord van een onder Panamese vlag varende pijpenlegger in dienstbetrekking bij een in Zwitserland gevestigde werkgever), waarin het HvJ EU als volgt overwoog:
Aldewereld, vond hij geen rechtstreeks toepasselijke aanwijsregel; hij paste daarom ook in
Kikeen naastbijzijnde aanwijsregel toe (de regel voor ambulante werknemers: aanwijzing van de lidstaat van vestiging van de werkgever):
Kikin
BNB2015/107) gaat in op het aanvankelijk ontbreken en het later invoeren van een restbepaling in de oude Verordening (art. 13(2)(f)), en op dier reikwijdte:
Aldewereld/
Kik-aanwijzing toch, door analogische toepassing van (toch) de zeevarendenbepaling, uit bij werkgeverstaat. De tweede opvatting toetst in een
Kik-geval aan alle aanwijsregels, dus ook aan de nieuwe restbepaling (art. 11(3)(e) Vo. 833/2004), die rechtstreeks toepasselijk is, zodat aan
Aldewereld-aanwijzing geen behoefte bestaat, tenzij de restbepaling alleen op inactieven of post-actieven zou zien.
Aldewerelden
Kik, r.o. 54, blijkt zijns inziens dat als de toewijzingsbepaling voor zeevarenden niet (rechtstreeks) van toepassing is, niet uitgeweken wordt naar de restbepaling – die volgens hem alleen op post- en inactieven ziet, gezien de preambule bij Vo. 883/2004, het commentaar van de Europese commissie (zie 7.5 en 7.6 hierna) en de opbouw van art. 11(3) Vo. 883/2004 – maar wordt aangesloten bij de naastbijzijnde aanwijsregel die voor vrijwel identieke arbeidssituaties geldt, nl. – toch – de zeevarendenbepaling, die – indien het vlagland een lidstaat zou zijn – de werkgeverstaat zou aanwijzen. Volgens de Staatssecretaris ziet art. 11(3)(e) alleen op andere personen dan personen die werkzaamheden verrichten in de zin van art. 11(3)(a), (b) en (d) of in het tweede lid met werkenden gelijk wordt gesteld, dus alleen op postactieven en inactieven. Met de nieuwe Verordening is zijns inziens geen wijziging beoogd van de aanwijzing van
Kik-gevallen, zodat het voor de hand ligt art. 11(3)(e) Vo. 883/2004 op dezelfde wijze (niet) toe te passen als het oude art. 13(2)(f) Vo. 1408/71. Dat ligt ook in lijn met het beleid dat het UWV, de Sociale Verzekeringsbank en de Belastingdienst onder de nieuwe Verordening voeren. Hij stelt in reactie op de opmerkingen van de NOB dat aansluiten bij de woonstaat op basis van art. 11(3)(e) Vo. 883/2004 op gespannen voet kan komen te staan met de VwEU-bepalingen inzake vrijheid van werknemersverkeer.
V-N2015/17.10 daarentegen meent dat Kik onder de nieuwe Verordening via dier restbepaling in de wetgeving van de woonstaat terecht komt en niet meer in die van de werkgeverstaat, zoals onder de oude Verordening:
Kikin
NTFR2015/1189) meent dat de
Kik-casuïstiek zijn belang heeft verloren onder de nieuwe Verordening omdat art. 11(3)(e) ertoe leidt dat als geen andere aanwijsregel van toepassing is, teruggevallen wordt op aanwijzing van het woonland.
7.Op wie ziet de restbepaling van art. 11(3)(e) Vo. 883/2004?
Kuusijärviover het oude art. 13(2)(f) Vo. 1408/71 blijkt voorts dat het HvJ EU de tekst van aanwijsbepalingen tot uitgangspunt neemt, niet een mogelijke, maar uit niets blijkende beperkende bedoeling.
Explanatory notesvan de Europese Commissie
on modernised social security coordination Regulations (EC) No 883/2004 & No 987/2009. [37] Die vermelden onder het hoofd ‘
N – Non active person’:
R – Residence and applicable legislation’ vermelden deze
Notes:
VakstudieIBR stelt dat art. 11(3)(e) een aanwijsregel voor inactieven inhoudt, maar vat ‘inactieve’ op als persoon die niet valt onder art. 11(3)(a)-(d). [40]
Kik-arrest over de behandeling van inactieven door het HvJ EU en onder de nieuwe Verordening (ik laat voetnoten weg): [41]
Ten Holder [43] om te kunnen bepalen welke wettelijke regeling van toepassing was op personen op wie het stelsel van een lidstaat niet meer van toepassing was zonder dat het stelsel van een andere lidstaat op hen van toepassing werd op grond van art. 13(2) of artt.14 t/m 17 van de oude Verordening. In de zaak
Ten Holderhad het HvJ EG geoordeeld dat een migrerende werknemer die zijn werkzaamheden in een lidstaat had gestaakt en niet ging werken in een andere lidstaat, onderworpen bleef aan de wetgeving van de lidstaat waar hij het laatst werkzaam was geweest, ongeacht de tijd die sinds de beëindiging van die werkzaamheden en van het dienstverband was verstreken. Dat leidde tot gratis verzekering in de voormalige werkstaat voor niet premieplichtige voordelen, zoals de kinderbijslag. Art. 13(2)(f) corrigeerde deze weeffout in de oude Verordening door in een dergelijk geval de wetgeving van de woonstaat aan te wijzen.
Kuusijärvi [44] is de reikwijdte van art. 13(2)(f) aan de orde gekomen. Die zaak betrof de Finse mevrouw Kuusijärvi die ten tijde van de toekenning van een Zweedse ouderschapsuitkering al werkloos was en vervolgens verhuisde van Zweden naar Finland zonder in Finland beroepsactiviteiten uit te oefenen en daarmee haar Zweedse sociale-zekerheidsuitkeringen verloor. Volgens de belanghebbende volgt uit dit arrest dat het HvJ EU art. 13(2)(f) van de oude Verordening niet ziet als een bepaling die alleen over inactieven gaat. Hij leidt dat af uit de volgende overwegingen:
pensionados) tot uitgangspunt neemt, maar de volle uit de tekst volgende reikwijdte van de bepaling tot alle al dan niet tijdelijk of deels inactieven. Daaruit volgt echter niet dat die oude bepaling ook op zijn geval van toepassing zou zijn geweest. De geciteerde overweging is slechts weerlegging van de stelling dat art. 13(2)(f) Vo. 1408/71 alleen op gepensioneerden zag. Het Hof constateerde dat die bepaling zodanig was geredigeerd dat ook niet-gepensioneerden er onder vielen, nl. alle gevallen waarin de wetgeving van een bepaalde lidstaat om welke reden dan ook ophield van toepassing te zijn op een persoon. Voor toepasselijkheid van die oude bepaling was daarom niet nodig dat de betrokkene al zijn activiteiten en voorgoed had stopgezet.
Kuusijärviging daarmee over een in art. 13(2)(f) van de oude Verordening opgenomen criterium dat in het nieuwe art. 11(3)(e) Vo. 883/2004 helemaal niet voorkomt, zodat het mij niet relevant lijkt voor belanghebbendes geval, behoudens voor zover er wel uit blijkt dat het Hof aanwijsbepalingen in beginsel naar hun tekst toepast.
Kikart. 13(2)(f) Vo. 1408/71 niet toepasselijk achtte, is niet relevant, nu die bepaling, anders dan art. 11(3)(e) Vo. 883/2004, eiste dat de betrokkene was opgehouden onderworpen te zijn aan de wetgeving van een lidstaat zonder elders verzekerd te geraken (hetgeen bij Kik niet het geval was). Het lijkt mij niet waarschijnlijk dat de Europese wetgever per ongeluk die toepassingsbeperking zou hebben laten vervallen in de nieuwe Verordening nu juist het vervallen daarvan als (enige) effect heeft dat de reikwijdte uitgebreid wordt van inactieven tot algemene restbepaling.
8.Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste vraag
Aldewereld/
Kik-leer, die in belanghebbendes geval de werkgeverstaat (Nederland) zou aanwijzen. Het HvJ EU achtte in de zaak
Kikimmers art. 13(2)(f) Vo. 1408/71 niet van toepassing omdat Kik niet ophield in Nederland onderworpen te zijn, zodat aan die toepassingsvoorwaarde niet was voldaan. Hij achtte de woonplaats van de werknemer in de oude Verordening een ondergeschikt aanknopingspunt als geen arbeid in de woonstaat werd verricht (r.o. 58) en sloot daarom in r.o. 59 aan bij art. 14(2)(a) Vo. 1408/71, dat werknemers die hun werk reizend verrichtten en daardoor niet aan een bepaalde werkstaat gekoppeld konden worden, verbond aan het stelsel van de werkgeverstaat. Hij achtte zeevarenden zoals Kik vergelijkbaar met dergelijke ambulante werknemers. Die bepaling (art. 14(2)(a) Vo. 1408/71 over werknemers in de internationale binnenvaart) is in de nieuwe Verordening echter niet teruggekeerd (het nieuwe art. 13 Vo Pro. 883/2004 zit anders in elkaar), zodat daarbij niet aangesloten kan worden. De fiscus wil dan ook aansluiten bij de zeevarendenbepaling, waarvan echter juist vast staat dat zij niet van toepassing is (noch was, onder de oude Verordening) als de vlagstaat geen lidstaat is, zoals in casu. In
Kikheeft het Hof het daardoor ontstane aanwijsvacuüm opgevangen door aan te sluiten bij een bepaling over internationaal binnanvarende werknemers, niet door de
niet-toepasselijk bevonden zeevarendenbepaling
tochtoe te passen. Dat is wel wat de fiscus thans bepleit. Hij bepleit dus niet toepassing van een naastbijzijnde aanwijsbepaling, maar toepassing van de
niet-toepasselijke aanwijsbepaling zelf, bovendien met voorbijgaan aan het naar zijn duidelijke tekst wél toepasselijke art. 11(3)(e) Vo. 883/2004.
Kikart. 13(2)(f) Vo. 1408/71 niet toe te passen, verdwenen. Voordat het HvJ EU in de zaak
Kikzijn
Aldewereld-aanwijsregel toepaste, liep hij alle aanwijsbepalingen in Vo. 1408/71 langs, ook het voor
Ten Holder-gevallen ingevoegde art. 13(2)(f) Vo. 1408/71, dat hij niet van toepassing achtte (zie r.o. 53) omdat niet voldaan was aan de onder de nieuwe Verordening geschrapte toepassingsvoorwaarde ‘ophouden onderworpen te zijn aan de wetgeving van een lidstaat’. Ook onder de nieuwe Verordening zal het Hof alle aanwijsregels langs lopen en zal hij dus langs art. 11(3)(e) komen. Ik zie niet in waarom hij die naar zijn tekst onmiskenbaar toepasselijke bepaling zou negeren ten gunste van rechtersrecht dat door hem slechts geïmproviseerd is voor gevallen waarin de oude Verordening ondanks haar personele en territoriale toepasselijkheid een aanwijzingvacuüm vertoonde. De
Aldewereld- en
Kik-rechtspraak ziet mijns inziens alleen op gevallen waarin een persoon binnen de werkingssfeer van de Verordening valt maar desondanks buiten dier aanwijsstelsel dreigt te vallen, hoewel de bedoeling van dat stelsel is zowel dubbele aansluiting als niet-aansluiting te vermijden, [45] zoals het HvJ EU ook uitdrukkelijk overwoog in r.o. 63 van
Kik. Zij heeft geen voorwerp als de (nieuwe) Verordening wél een keuze maakt tussen twee of meer in aanmerking komende aanknopingslidstaten.
overruledwordt en in plaats daarvan een nationaal stelsel toepasselijk verklaard wordt dat naar intern recht juist
niettoepasselijk is (het Nederlande). Als de twee nationale stelsels reeds perfecte coördinatie bereiken (exclusieve toepassing van het Letse stelsel), waarom zou het EU-recht dan het tegenovergestelde en door de betrokken werknemer expliciet niet gewenste resultaat moeten opleggen?
Kikstond vast (zie de r.o. 53, 62 en 63) dat Kik naar intern recht de gehele litigieuze periode verplicht was aangesloten bij het Nederlandse stelsel. In belanghebbendes geval daarentegen is naar intern recht geen sprake van aansluiting bij het Nederlandse stelsel: hij heeft nooit in Nederland gewerkt, is geen inwoner geweest en is evenmin onderworpen aan de Nederlandse loonbelasting. De enige interne bepaling waarop verzekeringsplicht gebaseerd kan worden, is art. 6a(a) AOW (en de daarmee vergelijkbare bepalingen in de andere volksverzekeringswetten), dat echter niet meer zegt dan dat het Nederlandse recht toepasselijk is als de Verordening dat zegt. Het biedt geen grondslag voor verzekering als de Verordening niet Nederland aanwijst. Als de Verordening de Letse sociale-zekerheidswetgeving aanwijst, leidt ook art. 6a AOW (c.a.) dus niet tot verzekering in Nederland (zie ook art. 6a(b)(AOW).
Kik, geen rol als Letland wordt aangewezen. De niet-aangewezen lidstaat die de betrokkene evenmin naar intern recht verzekert, kan mijns inziens niet in afwijking van zijn interne recht tot aansluiting gedwongen worden op de grond dat het stelsel van de wél door de Verordening aangewezen lidstaat gebrekkige, beperkte of geen sociale zekerheid biedt. Het doel van de Verordening is bereikt met enkelvoudige aanwijzing; zij verplicht niet tot daadwerkelijke verzekering. Het staat de lidstaten vrij om géén sociale-zekerheidsstelsel te onderhouden. Het alsnog verzekeren van de belanghebbende door de niet-aangewezen lidstaat kan mijns inziens van die lidstaat alleen gevergd worden als die lidstaat ook zonder de Verordening, dus naar intern recht, de belanghebbende reeds zou verzekeren. Anders dan de belanghebbende, was Kik verplicht verzekerd in Nederland en zou hij bij aanwijzing van het Zwitserse stelsel zijn Nederlandse rechten dus verliezen. Daarom moest bij aanwijzing van het Zwitserse stelsel nagegaan worden of het Zwitserse stelsel wel (verplichte) aansluiting bood. Het is niet de bedoeling van de Verordening, met name niet van de (oude) conflictregel van art. 15(2) Vo. 1408/71 die in de zaak
Kik(r.o. 62) toegepast moest worden (en in belanghebbendes zaak niet), dat de aanwijzing ex de Verordening c.q. de
Aldewereld-aanwijzing ertoe leidt dat iemand zijn verzekering wordt
afgepakt. Daarvan is in belanghebbendes geval geen sprake: anders dan Kik, verliest hij geen enkel Nederlands verzekeringsrecht als de Verordening het Letse stelsel aanwijst. Hij is naar intern recht immers niet in Nederland verzekerd.
Zinnecker [46] van het HvJ EU: volgens het HvJ EU wees de (oude) Verordening voor het geval van de Duitser Zinnecker – die in Duitsland en deels ook in Nederland een kraam exploiteerde die thans
food truckgenoemd zou worden – de Duitse wetgeving aan, hetgeen ertoe leidde dat hij nergens verzekerd was, nu hij in Nederland naar intern recht niet verzekerd was (hij was geen inwoner) en in Duitsland niet aan de aansluitvoorwaarden voldeed omdat hij gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om af te zien van verzekering onder het Duitse stelsel. Dat aanwijzing van het Duitse stelsel aldus niet tot daadwerkelijke aansluiting aldaar leidde, was dus – anders dan bij Kik, die naar intern recht wél verzekerd was in Nederland – geen reden om alsnog Nederland tot verzekering verplicht te achten. Ik meen daarom dat ontkennende beantwoording van de tweede prejudiciële vraag een
acte clairis.