Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
5.3 Verleggingsregeling Artikel 24b Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968
3.Het geding in feitelijke instanties
4. Beoordeling van het geschil
Omkering bewijslast
4.Het geding in cassatie
eerste klacht). Ik begrijp deze klacht aldus dat de nationale wetgever niet binnen de reikwijdte van de oorspronkelijke machtiging van de Europese Raad [10] is gebleven door de eigenbouwer gelijk te stellen met een aannemer. Dit standpunt van belanghebbende brengt mee dat artikel 24b van het Uitvoeringsbesluit OB in casu niet van toepassing is en de onderaannemers terecht omzetbelasting in rekening hebben gebracht, die bij belanghebbende aftrekbaar is. De Inspecteur heeft in dat geval ten onrechte de aftrek van voorbelasting bij belanghebbende geweigerd. Belanghebbende schrijft het volgende in zijn cassatieberoepschrift:
nietis toegepast door de onderaannemers” of woorden van gelijke strekking. In het vervolg ga ik van die lezing uit. Ik duid in deze conclusie de weigering van de aftrek van de voorbelasting op de laatstbedoelde facturen ook wel aan als de ‘correctie voorbelasting onderaannemers’, tenzij anders vermeld. Wanneer ik spreek over ‘de onderaannemers’ bedoel ik onderaannemer [J] en onderaannemer [DD] .
tweede klacht). Belanghebbende schrijft daarover het volgende:
5.Relevante wet- en regelgeving en rechtspraak
Genius Holding [15] , is echter duidelijk geworden dat het recht op aftrek van btw zich niet uitstrekt tot de belasting die uitsluitend is verschuldigd op grond van de vermelding ervan op een factuur. In die Nederlandse zaak werd, net als in de onderhavige zaak, gestreden over het recht op aftrek van btw die onderaannemers in strijd met de verleggingsregeling aan hun opdrachtgever in rekening hadden gebracht. Het HvJ oordeelde dat aanpassing van de ten onrechte in rekening gebrachte btw moet plaatsvinden via herziening van de factuur. De opsteller van de factuur moet de mogelijkheid hebben, wanneer hij het bewijs van zijn goede trouw levert of wanneer hij tijdig het gevaar voor verlies van belastinginkomsten geheel heeft uitgeschakeld, alle ten onrechte gefactureerde btw te herzien. In onder meer
Schmeink & Cofreth en Strobel [16] ,
Stadeco [17] en
Stroy trans [18] heeft het HvJ uiteengezet hoe aan de herzieningsprocedure inhoud moet worden gegeven. Ik ga niet dieper in op deze herstelmogelijkheid, omdat het rechtzetten van een gemaakte fout door herstel van de door de onderaannemers uitgereikte facturen te dezen niet heeft plaatsgevonden en klaarblijkelijk ook geen optie (meer) was.
HR BNB 1990/238 [19] , het eindarrest in
Genius Holding, oordeelt de Hoge Raad dat de uitsluitend op grond van artikel 37 van Pro de Wet OB verschuldigd geworden omzetbelasting niet door de afnemer in aftrek kan worden gebracht. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen echter wel aan naheffing in de weg staan. De Hoge Raad overweegt:
Fatorie [20] en
Tibor Farkas [21] . In beide zaken hadden de nationale belastingautoriteiten de aftrek van btw geweigerd die de afnemer onverschuldigd had betaald aan de leverancier voor een handeling die onder een in artikel 199, lid 1, van de Btw-richtlijn vallende verleggingsregeling viel. In
Fatoriehad de leverancier de ten onrechte berekende btw niet aan de fiscus voldaan en kon die fout wegens het faillissement van de leverancier niet meer worden verholpen. In
Tibor Farkaswas de onverschuldigd betaalde btw wel aan de nationale belastingautoriteiten betaald.
Fatorieconstateert het HvJ dat noch is voldaan aan de formele vereisten van de verleggingsregeling (op de factuur komt niet de vermelding ‘verleggingsregeling’ voor en Fatorie heeft geen maatregelen getroffen om die omissie te verhelpen), noch aan een materiële voorwaarde (Fatorie heeft de ten onrechte berekende btw aan de leverancier betaald, terwijl zij die btw op grond van de verleggingsregeling aan de belastingautoriteiten had moeten betalen). Die situatie heeft de belastingdienst belet de toepassing van de verleggingsregeling na te gaan en heeft voor de betrokken lidstaat een gevaar voor verlies van belastinginkomsten opgeleverd, aldus het HvJ. Onder verwijzing naar de eerdergenoemde arresten
Genius Holding(zie punt 13) en
Schmeink & Cofreth en Strobel(zie punt 53) stipt het HvJ vervolgens aan dat alleen recht op aftrek bestaat voor belasting die is verschuldigd, anders dan door de enkele vermelding op de factuur. Het HvJ overweegt onder meer:
Tibor Farkas,een arrest dat is gewezen na de onderhavige hofuitspraak, werkt het HvJ uit welke stappen de afnemer moet zetten ingeval de leverancier de onverschuldigd betaalde btw wel aan de belastingautoriteiten heeft voldaan. Het HvJ herhaalt in dit arrest een aantal overwegingen uit
Fatorie. In aanvulling daarop geeft hij aan op welke wijze de afnemer om teruggaaf kan verzoeken als bedoeld in punt 42 van
Fatorie. Die aanvullende overwegingen zijn met name ontleend aan
Reemtsma Cigarettenfabriken [22] ,over een andersoortige verleggingsregeling (de verlegging van de heffing naar de in een andere lidstaat gevestigde ontvanger van een dienst) [23] , en zijn dus niet echt nieuw. De feiten in
Tibor Farkaslopen echter beter in de pas met de feiten in de onderhavige zaak, nu die zaak ook over een verleggingsregeling voor de levering van onroerend goed gaat. In
Tibor Farkasoverweegt het HvJ over de aftrek van onterecht gefactureerde btw onder meer als volgt (cursiveringen van mijn hand):
wanneer de verkoper die belasting aan de schatkist heeft betaald. Voor zover de terugbetaling door de verkoper aan de koper van de onterecht gefactureerde btw onmogelijk of uiterst moeilijk wordt, met name in geval van insolvabiliteit van de verkoper, vereisen die beginselen echter dat de koper zijn vordering tot terugbetaling rechtstreeks tot de belastingdienst kan richten.”
onmogelijk of uiterst moeilijkwordt, brengen de beginselen van fiscale neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid mee dat de afnemer zijn vordering tot terugbetaling rechtstreeks tot de inspecteur kan richten. Dat geldt alleen als de leverancier de ten onrechte gefactureerde btw aan de fiscus heeft betaald. Dat laatste leid ik af uit punt 57 van
Tibor Farkas.
Tibor Farkasleid ik af dat Zijlstra deze laatste mening deelt. Hij formuleert dat echter voorzichtig (cursiveringen van mijn hand):
Zou uit de overwegingen van het HvJ kunnen worden opgemaakt dat de afnemer een vordering tot terugbetaling van onterecht gefactureerde btw tot zijn overheid kan richten, ongeacht of de leverancier de btw (al) heeft betaald? Ik meen van niet en houd het ervoor dat een afnemer in omstandigheden als deze alleen een btw-vordering op zijn belastingdienst heeft bij dreigende daadwerkelijke dubbele btw-heffing.In de Nederlandse praktijk zal een casus als deze (Farkas) zich niet snel voordoen, nu de inspecteur onterecht gefactureerde btw in beginsel niet naheft als de leverancier de gefactureerde btw heeft voldaan. Par. 3.5.2 van het besluit van 6 december 2014, nr. BLKB 2014/704M, NTFR 2015/376 bevat beleidsregels die de inspecteur de weg wijzen bij wie hij onterecht gefactureerde btw moet naheffen: bij de afnemer of bij diens leverancier. Die beleidsregels komen echter pas aan de orde als de leverancier de btw niet heeft voldaan, zo blijkt uit de eerste zin van par. 3.5.2 van het hiervoor genoemde beleidsbesluit.
HR BNB 1990/238. De staatsecretaris schetst dat de inspecteur niet beide heffingsmogelijkheden zal benutten, maar “daarvan slechts een alternatief gebruik maakt”. In het besluit van 23 april 1986 en het besluit van 28 april 2003 zijn de voor de onderhavige casus relevante beleidsregels opgenomen in paragraaf 4 en in het besluit van 12 augustus 2004 in paragraaf 3.6.2. Daarin is vermeld dat de inspecteur zich in het algemeen eerst behoort te wenden tot de leverancier, indien deze de artikel 37-btw niet op aangifte heeft voldaan. De leverancier is de persoon door wiens toedoen de verschuldigdheid van de artikel 37-btw is ontstaan en die de belasting in ontvangst heeft genomen. Het ligt dan voor de hand die persoon eerst aan te spreken. Ik merk op dat voor ‘leverancier’ uiteraard ook ‘dienstverrichter’ kan worden gelezen. De relevante teksten van de besluiten uit 2003 en 2004 zijn gelijkluidend, komen in de basis overeen met de inhoud van het besluit uit 1986, en luiden (met mijn cursivering):
Wanneer de ten onrechte of teveel in rekening gebrachte omzetbelasting niet is voldaan, beschikt de inspecteur in beginsel over een tweeledige heffingsmogelijkheid, te weten heffing op grond van artikel 37 van Pro de Wet bij de opsteller van de factuur (hierna: de leverancier) en naheffing wegens ten onrechte genoten aftrek bij de ontvanger van de factuur (hierna: de afnemer). Het ligt echter voor de hand dat de inspecteur uiteindelijk niet beide mogelijkheden kan benutten maar daarvan slechts een alternatief gebruik maakt, dit met inachtneming van de regels van goed bestuur. Wat de hierbij door de inspecteur te volgen gedragslijn betreft merk ik het volgende op.
indien aannemelijk is dat naheffing bij de leverancier geen effect zal sorteren. (Als teveel omzetbelasting is gefactureerd kan de naheffing bij de afnemer beperkt blijven tot dat bedrag.) Onverlet de ratio van artikel 37 van Pro de Wet heeft de afnemer immers een eigen verantwoordelijkheid voor wat hij zich in rekening laat brengen en dient de mogelijk daaruit voortvloeiende schade door hem zelf gedragen te worden. Hij is ook de meest gerede partij om erop toe te zien dat de aan hem uitgereikte factuur volgens de eisen der wet is opgemaakt. Niettemin zijn er omstandigheden denkbaar waaronder de aftrek bij de afnemer in stand kan worden gelaten. Hiervan zal sprake kunnen zijn, indien de afnemer niet kan worden verweten dat hij bij de beoordeling van de aan hem uitgereikte factuur niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht en hij gezien de hem ter beschikking staande gegevens en het geheel van de feiten en omstandigheden redelijkerwijs tot de gevolgtrekking kon komen dat de leverancier de in rekening gebrachte omzetbelasting verschuldigd was.
PbEGL 256), dan wel op de vervaardiging en elke daarop gerichte handeling van kleding, andere dan schoeisel;
bbedoelde werk geheel of gedeeltelijk uit te voeren.
b, bedoeld werk uitvoert.
b, bedoelde werk.
b, bedoeld werk geheel of gedeeltelijk uitvoert;
b, bedoeld werk.
b, tot de uitvoering waarvan een onderaannemer zich jegens een aannemer heeft verbonden, geheel of grotendeels wordt verricht op de plaats, waar de onderneming van de onderaannemer is gevestigd, of
6.Reikwijdte van de machtiging bij de toepassing van de verleggingsregeling
eerste klachtgoed begrijp, bestrijdt hij de naheffing van de voorbelasting wegens het door de onderaannemers ten onrechte niet toepassen van de verleggingsregeling van artikel 12, lid 4, van de Wet OB jo. artikel 24b van het Uitvoeringsbesluit OB met de klacht dat de nationale wetgever met artikel 24b van het Uitvoeringsbesluit OB niet binnen de reikwijdte van de oorspronkelijke machtiging van de Europese Raad is gebleven. In zijn hogerberoepschrift van 27 mei 2011 heeft belanghebbende aangevoerd dat de machtiging alleen de ‘aannemer’ dekt en niet de ‘eigenbouwer’. Volgens belanghebbende is een aannemer niet hetzelfde als een eigenbouwer en is de verleggingsregeling ten aanzien van eigenbouwers aldus in strijd met de Zesde richtlijn. Dit standpunt brengt met zich dat de onderaannemers terecht omzetbelasting aan belanghebbende in rekening hebben gebracht, welke belasting aftrekbaar is.
BLV Wohn- und Gewerbebau GmbH [48] dat volgens vaste rechtspraak bij gebreke van enige definitie de betekenis en de draagwijdte van een begrip moeten worden bepaald met inachtneming van de algemene context waarin het begrip wordt gebruikt en in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan. Daarenboven moet voor de uitlegging rekening worden gehouden met de doelstellingen van de betrokken regeling en de nuttige werking van deze regeling. [49]
BLV Wohn- und Gewerbebau GmbHging het om de uitleg van het begrip ‘bouwwerkzaamheden’, dat noch in de aan Duitsland bij beschikking verleende machtiging noch in de Zesde richtlijn was gedefinieerd. In het onderhavige geval is in de mededeling van de Europese Commissie die ten grondslag ligt aan de machtiging en in de Zesde richtlijn evenmin een definitie opgenomen. In de Nederlandse wet is echter wel een definitie opgenomen. In zoverre is het bepalen van de betekenis van het begrip ‘aannemer’ dan wel ‘eigenbouwer’ aan de hand van de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis niet nodig. Aangesloten kan worden bij de definities in artikel 24b van het Uitvoeringsbesluit OB. Ik zie geen aanleiding te concluderen dat deze definities niet overeenkomen met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis. Als ik belanghebbende goed begrijp, stelt hij ook niet dat de definities die de nationale wetgever aan de begrippen ‘aannemer’ en ‘eigenbouwer’ heeft gegeven onjuist zijn. In dit kader wijs ik voorts op
EMI Group Ltd [50] . Het HvJ overwoog in die zaak dat indien een bepaling in de Zesde richtlijn (in de onderhavige zaak artikel 27, lid 1 in combinatie met de mededeling van de Europese Commissie) gelet op de bewoordingen, de context en de doelstellingen ervan niet de nodige aanwijzingen bevat voor een uniforme en nauwkeurige omschrijving van een begrip, de lidstaten een bepaalde beoordelingsmarge hebben wat de uitlegging betreft. Daarbij mogen de lidstaten niet voorbijgaan aan het doel van de betrokken bepaling en de plaats ervan in de systematiek van de Zesde richtlijn.
Campsa Estaciones de Servicio SA [51] geoordeeld dat nieuwe bijzondere, van de Zesde richtlijn afwijkende, maatregelen slechts verenigbaar zijn met het recht van de Unie voor zover zij binnen het kader van de in artikel 27, lid 1, van deze richtlijn bedoelde oogmerken blijven en ter kennis van de Europese Commissie zijn gebracht en door de Europese Raad stilzwijgend of uitdrukkelijk zijn goedgekeurd overeenkomstig de voorwaarden van artikel 27, leden 1 tot en met 4, van de Zesde richtlijn. In
BLV Wohn- und Gewerbebau GmbHoverwoog het HvJ dat de in artikel 27, lid 1, van de Zesde richtlijn bedoelde afwijkende maatregelen strikt moeten worden uitgelegd en bovendien noodzakelijk en geschikt moeten zijn ter verwezenlijking van het ermee nagestreefde specifieke doel om zo weinig mogelijk afbreuk te doen aan de doeleinden en beginselen van de Zesde richtlijn. [52]
BLV Wohn- und Gewerbebau GmbHreeds geoordeeld dat maatregelen die zich enerzijds beperken tot de vaststelling van de verleggingsregeling voor bepaalde prestaties en in beginsel geen financiële consequenties hebben voor de door deze maatregelen beoogde personen en anderzijds de mogelijkheid bieden om het verlies van aanzienlijke btw-inkomsten te vermijden, bij gebrek aan andere bijzondere omstandigheden als evenredig moeten worden aangemerkt. [56] Derhalve voldoet de verleggingsregeling van artikel 24b van het Uitvoeringsbesluit OB aan artikel 27, lid 1, van de Zesde richtlijn en is de nationale wetgever binnen de reikwijdte van de oorspronkelijke machtiging van de Europese Raad gebleven.
eerste klacht.
7.Bewijslastverdeling door het Hof
HR BNB 2006/204en
HR BNB 2006/205 [58] volgt dat indien de bewijslast al op de belastingplichtige rust, deze bewijslast niet kan worden omgekeerd en verzwaard. In die arresten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid (bijvoorbeeld de aanwezigheid van een aftrekpost) die, indien aannemelijk, tot een lagere belasting voor die belastingplichtige zou leiden, het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken ter onderbouwing van de aftrek geen gevolg heeft voor de bewijslastverdeling. De gedachte hierachter is dat de bewijslast van die omstandigheden al op de belastingplichtige rust en een inspecteur bij het vragen van inlichtingen dan niet een belang heeft als waarop artikel 47 van Pro de Awr (verplichting tot inlichtingenverstrekking) ziet. Voor omkering en verzwaring is dan geen plaats. Hoewel deze rechtspraak ziet op aftrekposten in de Wet op de inkomstenbelasting 2001 en is gewezen inzake schending van de informatieplicht, is deze rechtspraak mijns inziens in een geschil als het onderhavige over de aftrek van voorbelasting naar analogie van toepassing. Op belanghebbende rust al de bewijslast met betrekking tot de in de aangifte geclaimde aftrek van voorbelasting, waardoor de Inspecteur niet een belang heeft als waarop artikel 52 van Pro de Awr ziet. De bewijslast kan niet worden omgekeerd en dus ook niet worden verzwaard. Dit betekent dat belanghebbende ‘slechts’ feiten en omstandigheden aannemelijk had moeten maken die leiden tot de conclusie dat hij tot het juiste bedrag de voorbelasting in aftrek heeft gebracht. Die toets is minder zwaar dan de nu door het Hof gehanteerde toets ‘doen blijken’, zodat zijn oordeel in mijn visie berust op een onjuiste rechtsopvatting. Mijns inziens moet verwijzing volgen voor de beoordeling van de vraag of belanghebbende zijn stellingen aannemelijk heeft gemaakt. Die beoordeling vergt immers een waardering van bewijsmiddelen die in principe is voorbehouden aan de feitenrechter. Verwijzing is overigens niet nodig voor het in punt 4.35 gegeven oordeel over belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel, nu het Hof daar wel een aannemelijkheidsoordeel velt.
Fatorieen
Tibor Farkasdient belanghebbende de onverschuldigd betaalde omzetbelasting van de leverancier (en dus niet van de fiscus) terug te vragen. Indien de leverancier niet vrijwillig tot betaling overgaat, kan belanghebbende niet anders dan een vordering wegens onverschuldigde betaling instellen bij de Nederlandse burgerlijke rechter (artikel 6:203 van Pro het Burgerlijk Wetboek). Uit de stukken wordt mij niet duidelijk of belanghebbende daartoe pogingen heeft ondernomen. [59] Alleen indien terugbetaling van de onterecht gefactureerde btw
onmogelijk of uiterst moeilijkwordt, brengen de beginselen van fiscale neutraliteit, doeltreffendheid en evenredigheid mee dat belanghebbende zijn vordering tot terugbetaling rechtstreeks tot de Inspecteur kan richten. Alsdan meen ik dat een redelijke verdeling van de bewijslast inhoudt dat degene die om teruggaaf van de btw verzoekt feiten en omstandigheden stelt, en bij betwisting aannemelijk maakt, dat deze situatie zich voordoet. De bewijslast van deze stelling rust te dezen dus ook op belanghebbende. Ook hier meen ik dat
HR BNB 2006/204en
HR BNB 2006/205meebrengen dat de bewijslast niet kan worden omgekeerd en verzwaard.
Tibor Farkasmoet de inspecteur een aan hem gericht verzoek tot teruggaaf van de onterecht gefactureerde btw inwilligen als de leverancier de ten onrechte berekende btw aan de fiscus heeft betaald. Het ligt mijns inziens in beginsel op de weg van belanghebbende te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, dat de ten onrechte gefactureerde btw niet op aangifte is voldaan. Hiervoor pleit dat volgens het geldende (Unie)recht de onverschuldigd betaalde belasting niet aftrekbaar is en belanghebbende een beroep doet op de uitzondering dat de onverschuldigd betaalde omzetbelasting niet van de leverancier, maar van de fiscus wordt teruggevraagd. Daartegenover kan mijns inziens ook worden verdedigd dat de bewijslast te dezen op de Inspecteur rust. Voor deze laatste invalshoek van een redelijke bewijslastverdeling pleit dat de inspecteur over dergelijke gegevens beschikt of kan beschikken en de afnemer niet. Alleen de inspecteur is bevoegd en in staat na te gaan of de desbetreffende leverancier de belasting op aangifte heeft voldaan en, indien geen aangifte is gedaan, (alsnog) een aangiftebiljet omzetbelasting aan de leverancier uit te reiken (artikel 6 van Pro de Awr) en de belasting bij niet-betaling van hem na te heffen (artikel 20 van Pro de Awr). Om te bereiken dat de verschuldigde omzetbelasting daadwerkelijk aan de schatkist wordt betaald, heeft de belastingplichtige leverancier een groot aantal verplichtingen jegens de inspecteur, zoals de verplichting de verschuldigde belasting op aangifte te voldoen en de verplichtingen genoemd in artikel 47 e.v. van de Awr. De inspecteur kan de naleving van die verplichtingen afdwingen. De genoemde bevoegdheden van de inspecteur heeft de afnemer niet. De afnemer heeft geen toegang tot de gegevens van de leverancier. Hij kan de leverancier weliswaar verzoeken gegevens te verstrekken over zijn aangiftegedrag, maar kan geen invloed uitoefenen, laat staan hem dwingen de benodigde gegevens te verstrekken.
HR BNB 2006/204en
HR BNB 2006/205.Ook op dit punt kan de hofuitspraak mijns inziens niet in stand blijven. Het Hof heeft immers geoordeeld dat belanghebbende niet erin is geslaagd te
doen blijkendat de onderaannemers de ten onrechte in rekening gebrachte omzetbelasting op aangifte hebben voldaan.
Tibor Farkas-geval is, komt het beroep op de besluiten aan bod. De inspecteur moet de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen, zoals het vertrouwensbeginsel (zie punt 5.4 van deze conclusie). In de besluiten heeft de staatssecretaris geschetst op welke wijze de inspecteur moet afwegen hoe hij zijn heffingsmogelijkheden benut. Belanghebbende heeft voor het Hof betoogd dat hij aan de besluiten in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat de Inspecteur naheffing bij hem achterwege zal laten. De bewijslast van die stelling rust in beginsel op belanghebbende. Ik wijs op
HR BNB 1990/345 [60] :
HR BNB 1990/345– enerzijds te verdedigen dat op belanghebbende de last rust feiten en omstandigheden aan te voeren, en bij betwisting aannemelijk te maken, dat aan de in de besluiten genoemde voorwaarden is voldaan. Uit de in punten 5.10 – 5.12 van deze conclusie geciteerde tekst van de besluiten volgt dat het om de volgende feiten en omstandigheden gaat:
HR BNB 2015/142 [61] op dit uitgangspunt, dat – in navolging van de tekst van de besluiten – wordt aangeduid als de door de inspecteur te volgen ‘gedragslijn’. Hij oordeelt dat de inspecteur met inachtneming van het besluit [62] een afweging moet maken. Hof Arnhem-Leeuwarden had in die zaak op het beroep van de desbetreffende belanghebbende op het besluit moeten beoordelen of de inspecteur op de juiste wijze de afweging heeft gemaakt tussen naheffen bij de leverancier of bij de afnemer zoals het besluit hem voorschrijft. Indien deze laatste invalshoek voor de bewijslastverdeling wordt gevolgd, kan een belanghebbende volstaan met de stelling dat de inspecteur eerst bij de leverancier moet aankloppen. Uiteraard dient hij dan wel de gegevens te verstrekken die het voor de inspecteur mogelijk maken in zijn administratie te controleren dan wel bij de desbetreffende leverancier navraag te doen of de artikel 37-btw op aangifte is voldaan. De inspecteur zal dan moeten stellen, en bij betwisting, aannemelijk moeten maken dat de leverancier (i) de belasting niet op aangifte heeft voldaan en (ii) naheffing bij de leverancier geen effect zal sorteren. Voor deze invalshoek van een redelijke bewijslastverdeling pleit dat de inspecteur over deze gegevens beschikt of kan beschikken en de afnemer niet. Ik verwijs op deze plek naar de argumenten die ik in punt 7.7 van deze conclusie heb genoemd.
doen blijkendat:
doen blijken, maar hetzij belanghebbende hetzij de Inspecteur (zie de eerder besproken twee invalshoeken) dienen de onder (i) en (ii) genoemde feiten
aannemelijkte maken. In het geval die last op de Inspecteur rust, is voor omkering en verzwaring mijns inziens geen plaats. Ik herhaal hetgeen ik hierover in punt 7.8 heb opgemerkt en verwijs nogmaals naar
HR BNB 2006/204en
HR BNB 2006/205(zie punt 7.5 van deze conclusie). De Inspecteur heeft geen belang bij naleving van de wettelijke administratieplicht, omdat uit de administratie van belanghebbende niet kan worden afgeleid of de onderaannemers de berekende omzetbelasting hebben voldaan en, zo neen, of naheffing bij die onderaannemers zonder effect zal blijven. Derhalve kan daarmee niet worden bereikt dat gegevens worden verstrekt die van belang zijn voor de onderbouwing van de stelling van de Inspecteur.
tweede klachtvan belanghebbende slaagt derhalve naar mijn mening. Ik geef de Hoge Raad in overweging de zaak te verwijzen en het verwijzingshof opdracht te geven de volgende vragen te beantwoorden:
aannemelijkgemaakt die leiden tot de conclusie dat hij slechts is opgetreden als bemiddelaar (en derhalve niet als aannemer of eigenbouwer)?
aannemelijkgeworden dat de in rekening gebrachte omzetbelasting door de onderaannemers [DD] en [J] (voor zover laatstgenoemde ten onrechte omzetbelasting aan belanghebbende in rekening heeft gebracht) aan de Inspecteur is voldaan?
onmogelijk of uiterst moeilijkis (het
Tibor Farkas-argument)?