Conclusie
Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
verplichtingtot latere winstneming voort, aldus de Rechtbank.
hoogst onzekeris dat de in een nabetalingsregeling opgenomen opschortende voorwaarde vervuld zal gaan worden, aldus de Rechtbank. Gesteld noch gebleken achtte de Rechtbank het dat zich een dergelijk grote onzekerheid had voorgedaan, temeer daar de Inspecteur bij de berekening van het nabetalingsrecht de verwachting dat de grond zou worden bestemd voor woningbouw juist op 100% had gesteld. Derhalve oordeelde de Rechtbank dat belanghebbende het nabetalingsrecht terecht als vordering op zijn balans had opgenomen, zodat in zoverre de toepassing van de foutenleer niet aan de orde kon komen.
BNB2006/245) [7] de afwaardering van het nabetalingsrecht (als vordering) – evenals de winstneming op grond van het 72-maandencontract voor het boekjaar 2000/2001 ter zake van een (mogelijke) bestemmingswijziging – in zoverre onder het ‘oude’ regime van de landbouwvrijstelling dient te vallen.
BNB1998/212 [9] – heb betoogd dat, kort gezegd, de kwalificatie als ‘vrijgesteld’ (totaalwinst) niet afhangt van het moment waarop het voordeel in de winst wordt betrokken (jaarwinst). [10]
3.Het geding in cassatie
BNB2016/180 – wegens het ontbreken van overgangsrecht – het ‘nieuwe’ regime van de landbouwvrijstelling moet worden toegepast op deze afwaardering. [11]
totde waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (hierna: WEVAB) vrijgesteld, terwijl de onderhavige afwaardering uitsluitend verband houdt met de waarde
bovende WEVAB, zodat deze afwaardering volgens belanghebbende ten laste kan komen van het belastbare resultaat voor het jaar 2010.
4.(Fiscale) vaststellingsovereenkomsten in de zin van artikel 7:900 BW Pro
BNB1981/230 is echter wel een beperking daaraan gegeven. In die zaak oordeelde de Hoge Raad dat een gesloten compromis niet bindend voor partijen was. De Hoge Raad overwoog: [12]
BNB1997/221 heeft de Hoge Raad het ‘zozeer-criterium’ ontwikkeld. Hij formuleerde dat als volgt: [13]
5.Waardeverandering vordering: (on)zelfstandig?
Jurisprudentie deelnemingsvrijstelling
BNB1993/180) heeft de Hoge Raad deze vraag voor de verkoper van een deelneming beantwoord. [34] Dit arrest betrof een belanghebbende die in 1982 haar 100%-deelneming verkocht en leverde tegen een vast bedrag, dat bestond uit de intrinsieke waarde van de aandelen op de overdrachtsdatum, alsmede een recht op een (gemaximeerd) gedeelte van het bruto-inkomen van de verkochte deelneming gedurende de eerste drie jaren na verkoop (hierna: het recht op uitkeringen).
toekomstigewaardeontwikkeling daarvan (HR
BNB1996/365); [37] (ii) ter uitvoering van een door de vervreemder aangegane (garantie)verplichting gemaakte reis- en advocaatkosten (HR
BNB1999/327) [38] en (iii) kosten van juridische bijstand (HR
BNB2000/226), [39] hebben slechts betrekking op ontwikkelingen (van de deelneming) ná vervreemding (vgl. tevens HR
BNB2003/61 en HR
BNB2004/347 betreffende waardeveranderingen van de ‘balansgarantievordering’ veroorzaakt door feiten en omstandigheden ná vervreemding (‘balansgarantiearresten’)). [40]
BNB2003/34) [41] heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 14 oktober 2005 (HR
BNB2006/7) geoordeeld over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling in een zaak waar het belang bij een tot een deelneming behorende aandelen is opgesplitst. De Hoge Raad oordeelde ter zake van een doorverkoopclausule c.q. antispeculatiebeding [42] dat indien het belang bij de tot de deelneming behorende aandelen wordt opgesplitst, bij zowel de (eerste) verkoper als de (ver)koper de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 Wet Pro Vpb 1969 geldt voor alle voor- en nadelen van die aandelen (hierna: het ‘Netwerkorganisatie-arrest’). [43]
ondernemingsuitoefeningvan de verkochte vennootschap (veelal via een winst- of omzetrecht) en dus geen directe koppeling met de waardeontwikkeling van de vervreemde aandelen bestaat, maar in indirecte zin er vaak een verband (bestaat) tussen de gevestigde aanspraak en bedoelde waardeontwikkeling.” [44]
BNB2010/317-319), waarin de Hoge Raad duidelijk heeft gemaakt dat zijn ‘earn-outjurisprudentie’ (in zoverre) niet is achterhaald en hij nader is ingegaan op de vraag in hoeverre nabetalingen ter zake van de (ver)koop van een deelneming onder de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 Wet Pro Vpb 1969 vallen.
BNB2010/317, betrof een nabetalingsregeling, bestaande uit twee bedingen: (i) bij doorverkoop van de deelneming dient de (ver)koper een deel van de meerwaarde aan de (eerste) verkoper af te staan (contractbepaling 7) en (ii) bij aflossing van het deel van de (ver)koopsom dat de koper schuldig is gebleven (in de vorm van een achtergestelde lening), is de koper onder bepaalde voorwaarden een extra van de winst- of omzetontwikkeling van de verkochte deelneming afhankelijke aflossing verschuldigd (contractbepaling 8k).
BNB1993/180].”
BNB2010/318, betrof een nabetalingsregeling, bestaande uit een winstafhankelijk nabetalingsrecht. In geschil was de vraag of de eerder genoemde ‘earn-outjurisprudentie’ is achterhaald door het ‘falcons’- en ‘Netwerkorganisatie-arrest’. De Hoge Raad oordeelde – kortweg – als volgt: [46]
BNB2010/319, betrof een nabetalingsregeling bestaande uit een verplichting voor de belanghebbende (als koper van de onderhavige deelneming) tot (na)betaling van een ‘additionele koopprijs’ in aanvulling op een (vaste) ‘initiële koopprijs’, onder de voorwaarde dat zich één of meer in de koopovereenkomst beschreven scenario’s voor zou(den) doen. De deelneming beschikte over een FM-frequentie. Het was echter onzeker of zij ook in de toekomst over een FM-frequentie kon blijven beschikken, omdat dit afhing van een eventuele toekomstige veiling van de frequenties en de vraag of zij daarbij (financieel) in staat zou zijn om een frequentie te verwerven.
6.Onmiddellijke werking ‘nieuwe’ landbouwvrijstelling (HR BNB 2016/180)
BNB2016/180. [49]
BNB2016/180 ben ik ingegaan op de vraag of de wettelijke regeling in het jaar waarin het voordeel volgens goed koopmansgebruik tot de winst wordt gerekend, bepalend is voor het antwoord op de vraag of het voordeel al dan niet als vrijgestelde winst moet worden aangemerkt. [50] Ik concludeerde tot verwijzing, nu het Hof in het midden had gelaten of het voordeel reeds in 1998 in de winst mocht worden verantwoord.
7.Beschouwing en behandeling van de middelen
Inleiding
BNB2016/180) – daarop van toepassing is. [51]
Haviltex-criteria toegepast. ’s Hofs oordeel dat de vaststellingsovereenkomst zodanig moet worden uitgelegd dat daaruit voortvloeit dat de afwaardering van het nabetalingsrecht niet ten laste van de winst kan worden gebracht, berust op de aan het Hof voorbehouden uitlegging van de bepalingen van de overeenkomst en de motieven die de partijen daaraan ten grondslag hebben gelegd. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Derhalve is het in cassatie onaantastbaar.
BNB1997/221), geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [55] Daartoe strekke het volgende.
BNB2016/180 had de belanghebbende ervoor gekozen de winst niet aan te geven in het jaar waarin de obligatoire overeenkomst tot stand was gekomen maar in het jaar van levering. [56]
BNB2016/180 dient dan in het onderhavige geval het landbouwvrijstellingsregime te worden toegepast dat gold vóór 27 juni 2000.
BNB2006/245 kwam de Hoge Raad in een vergelijkbare zaak tot dezelfde conclusie op grond van de zogenoemde redelijke wetstoepassing. [57]