Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
24 oktober 2001. Niet in geschil is dat ten tijde van de aanvraag de voornoemde periode van tien jaar verstreken was.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
€ 219.00neg
3.Het geding in cassatie
artikel 2.1 lid 1 onder a, b en f van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) binnen het betrokken bestemmingsplangebied niet meer kunnen worden ingevorderd. Voor de activiteit 'het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan' 'uit artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo geldt de legessanctie ons inziens niet. Om dezelfde reden dat gemeenten leges in rekening mogen brengen voor andere Wabo-activiteiten (zoals bijvoorbeeld monumenten, kap, uitweg voeren van handelsreclame etc.), mogen gemeenten ook leges in rekening brengen voor het voeren van de procedures zoals bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a onder 2 en 3 Wabo. De legessanctie is zeker niet van toepassing op de uitgebreide omgevingsvergunning van artikel 2,12, eerste lid onder a, onder 3 Wabo. De omgevingsvergunning op basis van een ruimtelijke onderbouwing is immers de opvolger van het projectbesluit uit de Wro [15] . Ten aanzien van het projectbesluitbesluit heeft de wetgever weliswaar ooit de bedoeling gehad om bij niet tijdige herziening van het bestemmingsplan of vaststelling van een beheersverordening de legessanctie van toepassing te laten zijn. Echter, deze legessanctie is expliciet afgeschaft bij de Invoering van de Crisis- en herstelwet.
4.Wetgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
artikel 229, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet [19] is in de Memorie van Toelichting opgemerkt: [20]
€ 387,00 samenhangt met diensten die verband houden met het bestemmingsplan (…). De rechtbank is van oordeel dat daarmee de diensten die verband houden met het bestemmingsplan in de Verordening als afzonderlijke belastbare diensten zijn aangewezen. Voormeld bedrag is in onderhavige aanslag in mindering gebracht op het totaal aan leges. De overige leges houden blijkens de Verordening geen verband met het bestemmingsplan. Daardoor kan - anders dan belanghebbende bepleit - niet geoordeeld worden dat het heffen van die leges in strijd is met artikel 3.1, vierde lid, van de Wro.
5.Beoordeling van de klachten.
vervalt de bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan.
leges terzake van vergunningen voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten binnen het betrokken bestemmingsplangebiedvanaf het moment van het verstrijken van de 10-jaarstermijn niet worden ingevorderd.
rechten worden geheven ter zake van de behandeling van aanvragen tot verlening of gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning.
de activiteitwordt of zal worden verricht en de krachtens dat plan gestelde nadere eisen;
vergunningplichtige activiteiten binnen het desbetreffende plangebiedgeen rechten invorderen.
activiteiten binnen het in die verordening begrepen gebied.
(16 januari 2014) was er al wel een nieuw planologische regime (zijnde de Beheersverordening Buitengebied Zevenaar, vastgesteld op 25 september 2013 en gepubliceerd op 24 oktober 2013). Vaststaat dat er bij omgevingsvergunningen ex nunc aan het planologische regime wordt getoetst. Alleen om die reden zijn zowel de rechtbank als het Hof er ten onrechte van uitgegaan dat er geen leges in rekening gebracht konden worden.
1 oktober 2010 de Wabo van kracht geworden. Bij de invoering van de Wabo zijn het projectbesluit en de ontheffing vervangen door de uitgebreide omgevingsvergunning (zoals bedoeld in artikel 2,12, eerste lid, onder a, onderdeel 3 Wabo) respectievelijk de buitenplanse reguliere vergunning ter afwijking van het bestemmingsplan (kruimelprocedure zoals bedoeld in artikel 2,12, eerste lid, onder a, onderdeel 2 van de Wabo juncto artikel
4 Bijlage II Besluit omgevingsrecht). Sindsdien bestaat het projectbesluit als zodanig niet meer. Vaststaat dat bij invoering van de Wabo geen bepaling is opgenomen die regelt dat geen leges kunnen worden ingevorderd indien het bestemmingsplan niet tijdig is geactualiseerd. Daarnaast ontbreekt in de Invoeringswet Wabo een bepaling waaruit zou blijken dat de legessanctie van artikel 3.1, lid 4 Wro ook van toepassing zou zijn op de uitgebreide omgevingsvergunning. De Wabo kent wel een legessanctie bij uitgebreide omgevingsvergunningen (artikel 2.9a Wabo), maar deze heeft betrekking op de tijdige beschikbaarstelling van een verleende vergunning op ruimtelijkeplannen.nl. Die situatie doet zich hier niet voor.
Nadere analyse heeft aangegeven dat de koppeling van het projectbesluit en het bestemmingsplan ook op een andere manier kan worden bewerkstelligd. De Wet ruimtelijke ordening bevat de verplichting om eenmaal per tien jaar het bestemmingsplan te herzien. Ten minste om de tien jaar worden daardoor automatisch alle projectbesluiten in het bestemmingsplan geïntegreerd. (…) De Wet ruimtelijke ordening bevat voldoende waarborgen dat gemeenten die actualiseringsplicht zullen nakomen. Daarom is besloten de genoemde aan het projectbesluit gestelde beperkingen te laten vervallen.
In de Wro blijft overigens onverminderd de verplichting bestaan dat bestemmingsplannen elke tien jaar geactualiseerd worden. Om de nakoming van die verplichting te bewerkstelligen is vastgelegd dat geen leges, die verschuldigd zijn ter zake van diensten die verband houden met die bestemmingsplannen, niet kunnen worden ingevorderd indien niet aan die verplichting wordt voldaan. Gewaarborgd is daarmee dat projectbesluiten (straks als de Wabo in werking is getreden: omgevingsvergunningen) in het reguliere actualiseringsritme van een bestemmingsplan of beheersverordening zullen worden ingepast in de integrale op het gebied afgestemde planologische beheersregeling