Belanghebbende diende op 1 september 2013 een aanvraag in bij de gemeente Kerkrade voor een vergunning tot exploitatie van een escortbedrijf. Bij de aanvraag werd een BIBOB-onderzoek uitgevoerd, waarvoor de gemeente leges in rekening bracht, waaronder een bedrag voor het BIBOB-intake en screening.
De gemeente Kerkrade stelde dat de leges voor het BIBOB-onderzoek mochten worden geheven omdat deze werkzaamheden samenhingen met de vergunningverlening. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de heffing van de leges voor het BIBOB-onderzoek, maar dit werd afgewezen.
Het Hof oordeelde dat de BIBOB-onderzoeken primair gericht zijn op het beschermen van de integriteit van het openbaar bestuur en het voorkomen van criminele activiteiten, en niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met een individualiseerbaar belang van de aanvrager. Daarom is het heffen van leges voor het BIBOB-onderzoek niet toegestaan.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade. De Hoge Raad oordeelde dat de BIBOB-activiteiten niet primair dienen ter dienstverlening aan de aanvrager, maar een publieke taak van de gemeente betreffen, waardoor legesheffing daarvoor niet is toegestaan.
Het college werd veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding. Het arrest werd uitgesproken op 28 oktober 2016 door de Hoge Raad.