Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
Isle of Wight Council e.a.is af te leiden dat bij de beoordeling of sprake is van verstoring van de mededinging van enige betekenis in de zin van artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de Btw-richtlijn van belang is of sprake is van soortgelijke diensten, dus diensten die bezien vanuit de modale consument met elkaar concurreren. Volgens het Hof is, gelet op de verschillen tussen straatparkeren en slagboomparkeren, geen sprake van soortgelijkheid of concurrentie.
middel 1) en de uitspraak onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk is (
middel 2). Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (het College) heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld en voert aan dat het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk hadden moeten verklaren wegens gebrek aan procesbelang.
HR BNB 2014/122volgt dat procesbelang aanwezig is indien de indiener van een rechtsmiddel door het aanwenden daarvan in een betere positie kan worden gebracht met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende beslissingen. In
HR FED 2017/105voegt de Hoge Raad daaraan, voor zover hier van belang, toe dat het rechtsmiddel moet strekken tot verlaging van de aanslag. Nu het bezwaar, het (hoger) beroep en het beroep in cassatie te dezen elk (mede) hebben gestrekt tot vernietiging van de onderhavige naheffingsaanslag, die rechtsmiddelen belanghebbende in een betere positie konden brengen met betrekking tot de naheffingsaanslag en ook is voldaan aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, heeft belanghebbende ‘belang’ bij de rechtsmiddelen en zijn deze ontvankelijk. Het aanwenden van deze rechtsmiddelen kan immers op zichzelf ertoe leiden dat de naheffingsaanslag (op nader aan te voeren gronden) tot een lager bedrag dient te worden vastgesteld. Het Hof heeft in mijn optiek terecht geoordeeld dat belanghebbende procesbelang heeft. Het door het College voorgestelde middel mist dus doel. Het incidentele cassatieberoep dient in mijn visie ongegrond te worden verklaard.
middel 2dat ’s Hofs uitspraak onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk is, omdat het Hof zijn oordeel mede heeft gestoeld op feiten die niet door partijen naar voren zijn gebracht en die bovendien onjuist zijn. Belanghebbende heeft dat middel mijns inziens terecht voorgesteld.
Middel 1treft derhalve ook doel.
3.Het geding in feitelijke instanties
HR BNB 2014/122 [5] , dat het aanwenden van een rechtsmiddel ertoe zou kunnen leiden dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting op nader aan te voeren gronden tot een lager bedrag wordt vastgesteld, zodat belanghebbende in een betere positie wordt gebracht. Met inachtneming van bovenvermeld arrest komt de Rechtbank tot de slotsom dat belanghebbende belang heeft bij het aanwenden van een rechtsmiddel en dat zijn beroep derhalve ontvankelijk dient te worden verklaard.
Fazenda Pública [7] leidt het Hof af dat dat een gemeente bij het gelegenheid bieden tot het parkeren op de openbare weg in beginsel optreedt als overheid.
Isle of Wight Council e.a. [8] maakt het Hof op dat bij de beoordeling of zich verstoring van de mededinging van enige betekenis voordoet van belang is of sprake is van soortgelijke diensten, dus diensten die bezien vanuit de modale consument met elkaar concurreren. Naar het oordeel van het Hof zijn ‘slagboomparkeren’ en ‘straatparkeren’ dusdanig verschillend dat van soortgelijkheid of concurrentie geen sprake is. De door het Hof geconstateerde verschillen tussen de twee typen parkeerdiensten kunnen als volgt worden weergegeven:
HR BNB 2011/117 [9] . Dit leidt het Hof tot het oordeel dat de gemeente Groningen voor het aanbieden van straatparkeren niet als ondernemer in de zin van de omzetbelasting is aan te merken, dat aan belanghebbende op goede gronden een naheffingsaanslag parkeerbelasting is opgelegd en dat daarbij terecht geen omzetbelasting in rekening is gebracht.
Isle of Wight Council e.a.afgeleide ‘voorvraag’:
4.Het geding in cassatie
Principaal beroep
middel 1komt belanghebbende met een rechtsklacht op tegen ’s Hofs oordeel dat de gemeente Groningen voor het tegen vergoeding (parkeerbelasting) gelegenheid bieden tot parkeren op de openbare weg (straatparkeren) niet als ondernemer in de zin van de Wet OB is aan te merken. In de optiek van belanghebbende verricht de gemeente Groningen met het gelegenheid geven tot straatparkeren een economische activiteit. Belanghebbende bestrijdt weliswaar niet dat de gemeente straatparkeren aanbiedt in haar hoedanigheid van overheid, maar stelt dat sprake is van verstoring van de mededinging van enige betekenis. Volgens belanghebbende heeft het Hof, bij de beoordeling of de gemeente Groningen ondernemer is, een onjuiste toets aangelegd. Hij wijst erop dat het HvJ in
Saudaçor [14] heeft geoordeeld dat de verstoring van de mededinging van enige betekenis moet worden beoordeeld met betrekking tot de werkzaamheden als zodanig, zonder dat die beoordeling betrekking heeft op een specifieke markt. Aangezien het uurtarief van Q-park thans € 3,00 bedraagt en het uurtarief van de gemeente € 2,50 – een verschil van 20% dat nagenoeg gelijk is aan de omzetbelasting – had het Hof niet anders kunnen concluderen dan dat verstoring van de mededinging optreedt.
HR BNB 2011/117) betrekking heeft op een andere rechtsvraag dan de onderhavige. In dat arrest gaat het om de vraag of een beroep kon worden gedaan op het vertrouwensbeginsel en niet om de vraag of sprake is van verstoring van de mededinging.
5.Procesbelang (door het College voorgestelde middel)
HR FED 2017/105 [18] , volgt dat het ontbreken van procesbelang leidt tot niet-ontvankelijkheid van het ingestelde bezwaar of beroep. [19]
HR BNB 2014/122 [20] geoordeeld dat procesbelang ontbreekt ingeval de indiener van een rechtsmiddel (bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep, beroep in cassatie) door het aanwenden daarvan niet in een betere positie kan worden gebracht met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen (zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht). Hij overweegt:
FED 2017/105heeft de Hoge Raad dit oordeel herhaald. Nieuw ten opzichte van
HR BNB 2014/122is dat de Hoge Raad in de slotzin van punt 2.3.3 overweegt dat rechtsmiddelen slechts kunnen strekken tot verlaging van de aanslag of verhoging van de verliesvaststellingsbeschikking. De redactie van Vakstudie Nieuws merkt in een noot onder dat arrest onder meer het volgende op:
V-N2014/18.2,
BNB2014/122, moet worden gekeken of de belanghebbende
ongeacht de gronden waarop het steuntin een betere positie kan worden gebracht. Nu het in beginsel in elke fase van het geding is toegestaan nieuwe gronden aan te voeren, zal er altijd een relevant belang zijn als een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen een belastingaanslag die nog (verder) kan worden verminderd, of, zoals in casu, tegen een verliesbeschikking, waarbij de mogelijkheid bestaat dat het verlies op een groter bedrag wordt vastgesteld. Ook al worden die gronden helemaal niet aangevoerd of zijn de daartoe wel aangevoerde gronden al op het eerste gezicht kansloos.”
HR FED 2017/105genoemde rechtspraak van de CRvB, ABRvS en de HR. Die rechtspraak handelt over situaties waarin het rechtsmiddel de belanghebbende niet in een betere positie kon brengen met betrekking tot het bestreden besluit maar wel met betrekking tot eventuele bijkomende beslissingen. Die jurisprudentie zou relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het door het College ingestelde middel, indien het desbetreffende rechtsmiddel uitsluitend zou strekken tot uitreiking van een btw-factuur. Dat is echter hier niet het geval. Indien een dergelijk geval zich voordoet, rijst wel de vraag hoe de overweging in de slotzin van punt 2.3.3 in
HR FED 2017/105, dat rechtsmiddelen slechts kunnen strekken tot verlaging van de aanslag of verhoging van de verliesvaststellingsbeschikking, moet worden begrepen. Ik laat die vraag hier verder rusten.
HR BNB 2013/186 [26] . De belanghebbende in die zaak was een Noorse stichting, die zich op het standpunt had gesteld dat zij niet beschikte over een vaste inrichting in Nederland. Hiervan uitgaande heeft zij bij de inspecteur een teruggaafverzoek omzetbelasting ingediend op de voet van artikel 33, lid 3, van de Wet OB (tekst geldend tot 1 januari 2010). De inspecteur wees het teruggaafverzoek af, omdat belanghebbende naar zijn mening geen ondernemer was. Het hof overwoog dat belanghebbende ondernemer was in de zin van artikel 7 van Pro de Wet OB met een vaste inrichting in Nederland en daarom geen teruggaafverzoek op de voet van artikel 33, lid 3, van de Wet OB had moeten indienen, maar een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht om teruggaaf is ontstaan. Naar het oordeel van het hof had belanghebbende het teruggaafverzoek te laat ingediend en heeft de inspecteur het teruggaafverzoek terecht afgewezen.
Tulicâ en Plavoşin [30] leid ik af dat, indien partijen een prijs voor een prestatie vaststellen, zonder dat de btw is genoemd en de leverancier de persoon is die tot voldoening van de btw is gehouden, de btw in de prijs is begrepen ingeval de leverancier de door de belastingautoriteiten nageheven btw niet op de koper kan verhalen. In het onderhavige geval heeft de gemeente op basis van het bestuursrecht geen mogelijkheid de eventueel verschuldigde btw op belanghebbende (en haar andere afnemers) te verhalen. Ook het civiele recht biedt hiertoe in mijn optiek geen aanknopingspunten, nu de afnemers van de gemeente, gelet op hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt, redelijkerwijs mochten aannemen dat eventueel ter zake van het straatparkeren verschuldigde omzetbelasting in het parkeertarief is begrepen. Uit
Tulicâ en Plavoşinkan dan voor de onderhavige zaak de conclusie worden getrokken dat de ter zake van het straatparkeren (eventueel) verschuldigde btw een component vormt van de naheffingsaanslag. Belanghebbende heeft derhalve, vanwege zijn recht op aftrek van voorbelasting, een financieel belang bij het aanmerken van de gemeente als belastingplichtige.
6.Btw op straatparkeren?
Costa/ENELheeft het HvJ bevestigd dat (zowel het primaire als het secundaire) Unierecht voorrang heeft boven het nationale recht. [32] Ingeval sprake is van strijdigheid tussen een nationale wettelijke bepaling en een Unierechtelijke bepaling dient de nationale rechter het Unierecht toe te passen en zonodig de daarmee botsende nationale bepaling buiten toepassing te laten. [33] Aan een conflict tussen een nationale wettelijke bepaling en een Unierechtelijke bepaling wordt slechts toegekomen indien de nationale wettelijke bepaling geen ruimte laat voor een richtlijnconforme interpretatie. [34] HR BNB 2007/277 [35] ,over de Nijmeegse Vierdaagse, is een duidelijk voorbeeld van een dergelijke interpretatie. Het is aan de nationale rechter te beslissen in hoeverre een nationale regel in strijd is met het Unierecht. Hij dient daarbij de beginselen van Unierecht (onder meer het gelijkwaardigheids-, het effectiviteits- en het rechtzekerheidsbeginsel en het gebod van rechtmatig handelen) [36] in ogenschouw te nemen, alsmede het volgende (met mijn cursivering): [37]
dat de nationale rechter, belast met de toepassing, in het kader zijner bevoegdheid, van de bepalingen van het gemeenschapsrecht, verplicht is zorg te dragen voor de volle werking dezer normen, daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de – zelfs latere – nationale wetgeving buiten toepassing latende, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enig andere constitutionele procedure heeft te vragen of af te wachten;”
HR BNB 2003/122 [38] dat de voorrang van het Unierecht op het nationale recht niet tot gevolg heeft dat:
Götz [43] (zie punt 15 van dat arrest) en komt voorts in de nationale rechtspraak naar voren. Ik wijs bijvoorbeeld op
HR BNB 1991/298. [44] De Hoge Raad bevestigde in dat arrest het oordeel van het hof dat de belanghebbende ter zake van de aanleg van gemeenschapsvoorzieningen (straten en groenstroken) niet kan worden aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 7 Wet Pro OB. Hij oordeelde voorts:
Götz). Bij de toetsing aan dit duurzame-opbrengstcriterium moeten alle omstandigheden waaronder de activiteit wordt verricht worden onderzocht. Het straatparkeren wordt op de algemene markt aangeboden tegen prijzen die vergelijkbaar zijn met die van particuliere aanbieders van parkeergelegenheid, hetgeen de conclusie rechtvaardigt dat het straatparkeren wordt aangeboden teneinde duurzaam opbrengst te verkrijgen. [45] Voorts moet de werkzaamheid, in casu een dienstverrichting, ‘onder bezwarende titel’ plaatsvinden. Uit vaste rechtspraak [46] van het HvJ volgt dat een dienst enkel ‘onder bezwarende titel’ in de zin van de Btw-richtlijn wordt verricht en dus enkel belastbaar is, wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst. In casu betaalt de ontvanger van de dienst, de parkeerder, parkeerbelasting gedurende het tijdvak dat zijn voertuig geparkeerd staat. Daartegenover staat dat de gemeente gedurende dat tijdvak parkeerruimte aan de parkeerder ter beschikking stelt. Er is derhalve sprake van prestaties over en weer. Aangezien de te betalen parkeerbelasting is gekoppeld aan de parkeerduur, vormt de parkeerbelasting de werkelijke tegenwaarde voor de aan de parkeerder verleende dienst. De dienst wordt dus onder bezwarende titel verricht. Nu is voldaan aan het duurzame-opbrengstcriterium en het straatparkeren onder bezwarende titel wordt verricht, zijn partijen mijns inziens terecht ervan uitgegaan dat sprake is van een economische activiteit.
Fazenda Públicaheeft geoordeeld dat het toestaan van het parkeren op de openbare weg aan een publiekrechtelijk regime is onderworpen. Het HvJ acht redengevend dat die werkzaamheid gebruikmaking van overheidsprerogatieven, zoals het toestaan of het beperken van het parkeren op een openbare weg of het beboeten van overschrijding van de toegestane parkeertijd, omvat. Dat doet zich eveneens voor in de onderhavige situatie, zodat partijen terecht als uitgangspunt hanteren dat de gemeente bij het aanbieden van straatparkeren als overheid optreedt.
Comune di Carpaneto Piacentino [47] geoordeeld dat artikel 4, lid 5, tweede alinea, Zesde richtlijn (thans artikel 13, lid 1, tweede alinea, Btw-richtlijn) zo moet worden uitgelegd dat de lidstaten dienen te verzekeren dat publiekrechtelijke lichamen als belastingplichtigen worden aangemerkt, indien een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentievervalsing van enige betekenis kan leiden. Zij zijn niet verplicht dit criterium letterlijk in hun nationale recht over te nemen of kwantitatieve grenzen voor de niet-belastingplichtigheid vast te stellen (zie punt 23 van het arrest). Uit de rechtspraak van de Hoge Raad [48] kan worden afgeleid dat hij de door het HvJ uitgezette lijn volgt bij de beantwoording van de vraag of een publiekrechtelijk lichaam al dan niet in de heffing moet worden betrokken. Hoewel artikel 7, lid 3, van de Wet OB in deze jurisprudentie niet wordt genoemd, laat deze bepaling mijns inziens ruimte voor richtlijnconforme interpretatie. Ik verwijs in dit verband naar hetgeen mijn ambtsvoorganger Van Hilten heeft opgemerkt in onderdeel 5.4 van haar conclusie [49] bij
HR BNB 2011/117 [50] . Aan een conflict tussen nationaal recht en de Btw-richtlijn wordt derhalve niet toegekomen (zie onderdeel 6.2 van deze conclusie).
Comune di Carpaneto Piacentinogeoordeeld dat artikel 4, lid 5 van de Zesde richtlijn beantwoordt aan de criteria voor rechtstreekse werking, zodat publiekrechtelijke lichamen een rechtstreeks beroep op deze bepaling kunnen doen. Niet alleen het publiekrechtelijke lichaam zelf kan zich rechtstreeks op deze richtlijnbepaling beroepen, maar ook een derde die met een dergelijk lichaam concurreert en stelt dat dit lichaam voor de activiteiten die het als overheid uitoefent niet of te laag wordt aangeslagen in de btw. In
Feuerbestattungsverein Halle [51] heeft het HvJ geoordeeld dat die derde zich voor de nationale rechter in het kader van een geding met de nationale belastingadministratie op artikel 4, lid 5, tweede alinea, van de Zesde richtlijn (thans artikel 13, lid 1, tweede alinea, Btw-richtlijn) kan beroepen. In die zaak speelde het volgende. Feuerbestattungsverein Halle is een vereniging van openbaar nut die in de stad Halle een crematorium exploiteert. Zij verzoekt de Duitse fiscus haar informatie te verstrekken over de btw-plicht van Lutherstadt Eisleben, een gemeente die eveneens een crematorium exploiteert. Indien die gemeente geen btw voldoet ter zake van de crematoriumdiensten, kan zij die diensten gunstiger aanbieden dan zij zelf. Toegespitst op de onderhavige zaak kunnen concurrenten van de gemeente Groningen (zoals parkeergarages) op dezelfde wijze als Feuerbestattungsverein Halle bezwaar maken bij de Belastingdienst dat de gemeente Groningen geen omzetbelasting in rekening brengt voor haar dienstverlening en dat – nu de afnemers van de parkeerdiensten voornamelijk particulieren zijn – de gemeente haar diensten dus gunstiger kan aanbieden dan zijzelf. [52] Belanghebbende is echter geen concurrent van de gemeente Groningen, maar een afnemer. Zij voert, anders dan de betrokken vereniging in het arrest van het HvJ, niet als bezwaar aan dat de gemeente ten onrechte geen omzetbelasting berekent, maar juist dat zij dat ten onrechte niet doet. Het bezwaar dat zij heeft tegen het niet-berekenen van omzetbelasting, is dat de prijs die de gemeente in rekening brengt voor hem hoger is dan wanneer de gemeente wel omzetbelasting in rekening zou brengen, omdat de in de prijs begrepen omzetbelasting voor hem aftrekbaar is. De vraag rijst of dit financiële belang van belanghebbende een rechtstreeks beroep op artikel 13, lid 1, tweede alinea, Btw-richtlijn rechtvaardigt.
SALIX Grundstücks-Vermietungsgesellschaft [53] dient deze vraag mijns inziens bevestigend te worden beantwoord. Salix, een vennootschap die onroerende goederen verhuurt, sloot een leaseovereenkomst met een publiekrechtelijk lichaam. In die overeenkomst verbond zij zich ertoe om gedurende 27 jaar een nog op te richten gebouw aan het publiekrechtelijke lichaam te verhuren. Het publiekrechtelijke lichaam nam een deel van het gebouw voor zichzelf in gebruik en verhuurde een ander deel aan derden. Met het oog op de aftrek van de btw op de bouwkosten voor het deel van het gebouw dat werd onderverhuurd, zag Salix af van de vrijstelling voor verhuurinkomsten. Zij meende dat zij daardoor recht op btw-aftrek kreeg, daar zij het gebouw verhuurde ten behoeve van het bedrijf van een andere ondernemer, die het gebouw ten dele gebruikte voor handelingen die recht verlenen op aftrek van voorbelasting. De Duitse fiscus weigerde de aftrek toe te staan op de grond dat het publiekrechtelijke lichaam bij de onderverhuur niet als ondernemer optrad. Het Finanzgericht Düsseldorf oordeelde dat de weigering te erkennen dat het publiekrechtelijk lichaam ondernemer is, Salix de mogelijkheid ontneemt voorbelasting in aftrek te brengen, waardoor zij in vergelijking met haar concurrenten op de betrokken markten in een ongunstiger positie terechtkomt. Dit kan leiden tot concurrentieverstoring van enige betekenis in de zin van artikel 4, lid 5, van de Zesde richtlijn, aldus het Finanzgericht. De Duitse fiscus ging in hoger beroep bij het Bundesfinanzhof, dat prejudiciële vragen stelde. Het HvJ overweegt dat artikel 4, lid 5, van de Zesde richtlijn, waarin niet wordt gepreciseerd wie moet worden beschermd tegen de concurrentievervalsing van enige betekenis, niet eng mag worden uitgelegd [54] . Het HvJ wijst er voorts op dat het recht op aftrek een integrerend deel van de btw-regeling is en in beginsel niet kan worden beperkt. Het behandelen van het publiekrechtelijke lichaam als niet-belastingplichtige heeft Salix belet in haar recht op aftrek, zodat haar concurrentiepositie is verslechterd. Ook in een dergelijk geval is artikel 4, lid 5, tweede alinea, van de Zesde richtlijn van toepassing, aldus het HvJ:
Götz(zie hierover meer in punt 8.2 van deze conclusie).
Isle of Wight Council e.a.:
National Roads Authority [55] noemt het HvJ de volgende drie aspecten:
Isle of Wight Council e.a.spreekt het HvJ in dit verband over ‘plaatselijke markt’.
Isle of Wight Council e.a.overweegt het HvJ namelijk dat de rechtspraak met betrekking tot artikel 13, lid 1, tweede alinea, Btw-richtlijn het oog heeft op werkzaamheden van publiekrechtelijke lichamen die ook kunnen worden verricht door particuliere marktdeelnemers die met hen concurreren (zie aspect (a)). Om te kunnen bepalen of het Hof van het juiste uitgangspunt is uitgegaan, acht ik het logisch om
middel 2eerst te behandelen. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van ‘mededinging van enige betekenis’ moet immers eerst duidelijk zijn wat de relevante ‘werkzaamheid als zodanig is’ (zie aspect (c)). Daarvoor zijn de feiten van belang.
7.(Amtshalve) aanvulling van de feiten (middel 2)
middel 2dat ’s Hofs uitspraak onvoldoende is gemotiveerd of onbegrijpelijk is, omdat het Hof zijn oordeel mede heeft gestoeld op feiten die niet door partijen naar voren zijn gebracht en bovendien onjuist zijn.
Middel 2is dus terecht voorgesteld.
HR BNB 2011/117:
Isle of Wight Council e.a.). Deze beoordeling dient in mijn visie, net als het Hof heeft gedaan, vanuit het gezichtspunt van de ‘modale consument’ plaats te vinden. Ik zal de feitelijke verschillen hierna behandelen.
Götz(zie punt 44 van dat arrest)
.Alleen indien de ‘werkzaamheid als zodanig’ ook door particuliere marktdeelnemers wordt verricht, kan sprake zijn van een situatie van mededinging in de zin van artikel 13, lid 1, van de Btw-richtlijn (zie aspect (a)).
HR BNB 2011/117leidt mij niet tot een andere conclusie. In die zaak is de vraag of de onderhavige werkzaamheid zowel het slagboomparkeren als het straatparkeren omvat, immers niet beantwoord.
8.Relevante markt
Commissie/Nederland [67] op dat het begrip concurrentievervalsing uitsluitend ziet op de nationale markt. Hij schrijft:
Götz geeft wel aanwijzingen. Götz, een melkproducent en eigenaar van een agrarisch bedrijf in Bayern, heeft verklaard een referentiehoeveelheid voor de levering melk te willen kopen tegen een bepaalde maximumprijs. De Landesanstalt heeft hem meegedeeld dat zijn aankoopbod is gehonoreerd. Zij heeft een op zijn naam gestelde factuur opgemaakt, waarop de btw niet afzonderlijk is vermeld. Götz, die btw-belaste activiteiten verrichtte, heeft bezwaar ingediend bij de Landesanstalt teneinde te bewerkstelligen dat een factuur zou worden opgemaakt met afzonderlijke vermelding van de btw. De Landesanstalt heeft dit bezwaar afgewezen op de grond dat zij als overheid handelde en uitsluitend een tussenpersoon was. Uit de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen volgt dat de overdracht van de leveringshoeveelheden plaatsvond door zowel publieke als particuliere ‘verkooporganen voor melkquota’. In punt 19 geeft het HvJ een omschrijving van de desbetreffende activiteit en constateert dat die activiteit naar de aard in beginsel door marktdeelnemers kan worden verricht:
Saudaçor.
Saudaçorals publiekrechtelijke lichamen moeten worden aangemerkt. Dat gaat mij echter iets te snel. Indien het in de Zweedse gevallen – evenals in Nederland – om een overheidsdienst als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Btw-richtlijn gaat, zou de conclusie juist moeten zijn dat in Zweden geen btw verschuldigd is wegens het straatparkeren, tenzij sprake is van ‘verstoring van de mededinging van enige betekenis’. Belanghebbende vermeldt echter niet dat zich ook andere marktdeelnemers begeven op de relevante markt. Op basis van de verstrekte informatie kan niet worden uitgesloten dat in de Zweedse gemeenten sprake is van btw-heffing over de straatparkeerdiensten, omdat die dienst aldaar hetzij geen overheidsdienst is (is wel sprake van een parkeerbelasting?), hetzij de vennootschappen aan wie de diensten zijn uitbesteed niet voldoen aan de criteria die het HvJ in
Saudaçorheeft gegeven. De beschikbare gegevens zijn mijns inziens onvoldoende om daaruit voor de onderhavige zaak conclusies te trekken. Het stellen van prejudiciële vragen enkel op basis van die gegevens, lijkt mij dan ook niet opportuun.
Isle of Wight Council e.a.neemt het HvJ een ruimer geografisch gebied in aanmerking dan in
Götz. In eerstgenoemd arrest stonden de werkzaamheden van plaatselijke overheden in het Verenigd Koninkrijk centraal. Zij boden parkeerplaatsen op parkeerterreinen te huur aan. De plaatselijke overheden namen het standpunt in dat ter zake van elk van de door hen afzonderlijk bediende grondgebieden moest worden beoordeeld of sprake was van verstoring van de mededinging van enige betekenis. Het HvJ overwoog dat als het standpunt van de plaatselijke overheden werd gevolgd, dit ertoe zou leiden dat sommige plaatselijke overheden wel en andere niet als belastingplichtige zouden worden aangemerkt. Dit verschil in behandeling van de plaatselijke overheden die dezelfde werkzaamheid uitvoeren, levert volgens het HvJ strijd op met de fiscale neutraliteit. Deze strijd treedt niet op indien concurrentievervalsing wordt geanalyseerd met betrekking tot de door de plaatselijke overheden uitgevoerde werkzaamheid als zodanig, ongeacht de concurrentiesituatie op een bepaalde plaatselijke markt, aldus nog steeds het HvJ. Alsdan komt ook het rechtszekerheidsbeginsel niet in het gedrang, hetgeen wel zo is indien de concurrentievervalsing moet worden beoordeeld met betrekking tot elke plaatselijke markt. Dan kunnen immers tal van geschillen ontstaan na elke wijziging van de concurrentiesituatie op een bepaalde plaatselijke markt, waardoor de plaatselijke overheden noch de particuliere marktdeelnemers met de zekerheid die voor het voeren van hun bedrijf is vereist, kunnen voorzien of op een bepaalde markt de exploitatie van parkeerterreinen door de plaatselijke overheden aan btw zal worden onderworpen. [68] Uit dit arrest komt volgens mij duidelijk naar voren dat de beoordeling van de ‘verstoring van de mededinging van enige betekenis’ niet beperkt mag blijven tot werkzaamheden binnen gemeentegrenzen.
Isle of Wight Council e.a.zowel de betrokken publiekrechtelijke overheden als particuliere marktdeelnemers tot de deelnemers aan de relevante markt rekent.
National Roads Authoritywas de vraag aan de orde of een publiekrechtelijk lichaam, de NRA, dat binnen Ierland tolwegen aanlegt en exploiteert, in concurrentie treedt met particuliere marktdeelnemers. Het HvJ stelde vast dat particuliere marktdeelnemers slechts tot de markt voor het ter beschikking stellen van wegeninfrastructuur tegen betaling van tol kunnen toetreden na toestemming van de NRA en dat toegetreden particuliere deelnemers onder de eindverantwoordelijkheid van de NRA bleven acteren. Op de betrokken markt waren dus – net als in
Götz– geen autonome particuliere deelnemers actief. Het publiekrechtelijk lichaam was alleen actief binnen Ierland. Kennelijk vielen de kaders van de relevante markt volgens het HvJ samen met de landsgrenzen, aangezien buiten Ierland (maar binnen de Unie) wel degelijk particuliere marktdeelnemers actief zijn die niet onder toezicht staan van de NRA. De redactie van Vakstudie Nieuws merkt in een noot bij
National Roads Authority [69] op:
Götzen
National Roads Authoritywel lijkt aan te sluiten bij een lokale markt en
Isle of Wight Council e.a. duidelijk niet, worden verklaard door het volgende verschil. In
Götzen
National Roads Authoritywaren op geen enkele plaatselijke markt particuliere marktdeelnemers werkzaam, terwijl in
Isle of Wight Council e.a. de situatie per lokale markt verschilde. Op het grondgebied van sommige plaatselijke overheden waren in laatstbedoelde zaak wel particuliere marktdeelnemers werkzaam, op het grondgebied van andere niet. Het had niet misstaan dat het HvJ zich in de genoemde arresten duidelijker had uitgesproken hoe de relevante markt moet worden afgebakend.
Isle of Wight Council e.a.tot onduidelijkheden heeft geleid omtrent de afbakening van de relevante markt blijkt uit de prejudiciële vraag die de First-tier Tribunal (belastingrechter in eerste aanleg, Verenigd Koninkrijk) heeft gesteld in het kader van de zaak
London Borough of Ealing [70] . In die zaak stond de Londense gemeente Ealing centraal, die een aantal sportfaciliteiten (onder meer sportzalen en zwembaden) beheert en btw heeft afgedragen die zij heeft geïnd over de entreegelden voor die faciliteiten. Zij verzocht de belastingdienst om teruggaaf van deze belasting, met het betoog dat de entreegelden krachtens artikel 132, lid 1, onder m, van de Btw-richtlijn (de ‘sportvrijstelling’) hadden moeten worden vrijgesteld. De belastingdienst weigerde de btw-teruggaaf, omdat de nationale wetgeving de sportvrijstelling voor bepaalde sportdiensten uitsluit wanneer zij door publiekrechtelijke instellingen, zoals een lokale overheid worden verricht. De nationale wetgever zou bij het invoeren van deze wetgeving gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid die artikel 133, aanhef en onder d, van de Btw-richtlijn de lidstaten biedt:
Isle of Wight Council e.a.niet kan plaatsvinden op het lokale niveau van elke instelling zonder winstoogmerk maar juist op landelijk niveau.
London Borough of Ealinggeen verder inzicht heeft verschaft in de methode om de relevante markt af te bakenen. A-G Wathelet is in zijn conclusie wel ingegaan op deze vraag en betoogt dat de
Isle of Wight Council e.a.-benadering (beoordeling van de werkzaamheid als zodanig zonder dat die beoordeling betrekking heeft op een bepaalde specifieke markt), die aan de orde is bij de beoordeling of sprake is van verstoring van de mededinging van artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de Btw-richtlijn, niet kan worden toegepast bij de beoordeling of sprake is van verstoring van de mededinging in de zin van artikel 133, onder d, van de Btw-richtlijn. Ik betwijfel of het begrip ‘verstoring van de mededinging’, als genoemd in artikel 13, lid 1, tweede alinea van de Btw-richtlijn anders moet worden uitgelegd dan ‘verstoring van de mededinging’ in de zin van andere artikelen van de Btw-richtlijn, zoals artikel 133 en Pro 134. In het kader van deze conclusie laat ik dit vraagstuk verder rusten.
Isle of Wigth Council e.a., moet echter voor heel Nederland worden beoordeeld of de ‘werkzaamheid als zodanig’ tot verstoring van de mededinging van enige betekenis leidt. Indien geoordeeld wordt dat daarvan sprake is, zijn ook gemeenten waar uitsluitend straatparkeren (en dus geen slagboomparkeren) plaatsvindt btw-plichtig voor die werkzaamheid. Binnen Nederland worden dan alle gemeenten gelijk behandeld en werkt een en ander fiscaal neutraal uit. Het lijkt mij een feit van algemene bekendheid dat de situatie in Groningen niet op zichzelf staat, maar dat de (grote) steden en dorpen een vergelijkbare situatie kennen van particuliere exploitanten van parkeerterreinen en parkeergarages. Op basis daarvan kan mijns inziens worden geconcludeerd dat in Nederland sprake is van ‘verstoring van de mededinging van enige betekenis’ tussen straatparkeren en slagboomparkeren. Dat niet over de landsgrenzen heen hoeft te worden gekeken, volgt wat mij betreft duidelijk uit
National Roads Authority.
HR BNB 1992/183 [74] stonden aanmaningskosten centraal die door de belanghebbende (een boekenclub) aan haar leden in rekening werden gebracht ingeval zij het door hen ter zake van een levering van een boek of grammofoonplaat verschuldigde bedrag te laat betaalden. Belanghebbende bracht deze aanmaningskosten náást het ter zake van de levering verschuldigde bedrag in rekening. De Hoge Raad overwoog dat de aanmaningskosten niet ter zake van de levering van een boek of grammofoonplaat in rekening werd gebracht, doch ter vergoeding van de extra kosten die belanghebbende als schuldeiser moet maken teneinde haar vordering te innen.
HR BNB 1992/37 [75] geoordeeld dat de administratiekosten, die wegens het niet tijdig inleveren van uitgeleende boeken door een bibliotheek aan een lener in rekening worden gebracht, niet een vergoeding vormen die door de bibliotheek wordt verkregen ter zake van en in rechtstreeks verband met een door haar verleende dienst. [76] De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat:
middel 1als
middel 2slaagt. De middelen kunnen echter niet tot cassatie leiden. Wel geef ik de Hoge Raad in overweging in het arrest ‘op te merken’ dat de gemeente aan belanghebbende een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur als bedoeld in artikel 15, lid 1, onderdeel a, Wet OB moet uitreiken.