Conclusie
eerste middelricht zich tegen de bewezenverklaring van witwassen. Volgens de steller van het middel is het oordeel van het hof dat een bij de verdachte aangetroffen geldbedrag van $ 80.230,- afkomstig is uit enig misdrijf – mede in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer dat het betreffende geldbedrag door de verdachte is gewonnen in een (illegale) loterij – onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
5. Bewijsmiddelen
Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Vonnis waarvan beroep
tweede middelbevat een tweetal klachten met betrekking tot de bevestiging door het hof van het in eerste aanleg gewezen vonnis van het gerecht van 16 september 2015, welke klachten ik hieronder afzonderlijk bespreek.
eerste klachtricht zich tegen een tweetal door het hof toegepaste verbeteringen, waarbij het hof (i) de in de bewezenverklaring van het gerecht vermelde pleegdatum van ‘14 februari 2014’ heeft verbeterd in ’14 februari 2015’ en (ii) het in de bewezenverklaring van het opzettelijk overtreden van art. 2 van Pro de Landsverordening aanmeldingsplicht van grensoverschrijdende geldtransporten (hierna: de Landsverordening) voorkomende onderdeel ‘bij binnenkomst op Juliana Airport’ heeft verbeterd in ‘bij vertrek op Juliana Airport’. Volgens de steller van het middel is het hof door het toepassen van de genoemde verbeteringen in zijn vonnis tot een wezenlijk andere bewezenverklaring gekomen dan het gerecht in zijn vonnis van 16 september 2015 en had het hof het laatstgenoemde vonnis om die reden moeten vernietigen en opnieuw recht moeten doen.
14 februari 2014[mijn onderstreping, AG], in Sint Maarten, een voorwerp, te weten een geldbedrag van $ 80.230,- (Amerikaanse dollar) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of begreep dat het geld -onmiddellijk of middellijk- afkomstig is uit enig misdrijf;
14 februari 2014[mijn onderstreping, AG], in Sint Maarten opzettelijk
bij binnenkomst op[mijn onderstreping, AG] Juliana Airport een geldbedrag van $ 80.230,- (Amerikaanse dollar) in totaal Nafl. 207.043 (omgerekend in Antilliaanse Guldens), zijnde een geldbedrag van meer dan 20.000,- Antilliaanse Guldens met zich mee heeft gevoerd, zonder dit geldbedrag aan te melden bij de ambtenaren der Douane.”
Tenlastelegging
14 februari 2015[mijn onderstreping, AG], in Sint Maarten,
14 februari 2015[mijn cursivering, AG], in Sint Maarten,
bij vertrek op[mijn onderstreping, AG] Juliana Airport, een voorwerp te weten een geldbedrag van $ 80.230,00 (Amerikaanse dollar), althans een geldbedrag van omgerekend meer dan 20.000,- Antilliaanse Guldens met zich gevoerd, zonder dit geldbedrag aan te melden bij de ambtenaren der Douane.
Vonnis waarvan beroep
binnenkomen of uitgaan[mijn onderstreping, AG] […] verplicht om geld ter waarde van NAƒ 20.000,- of meer, dat zij met zich meevoeren, aan te melden bij de ambtenaren der Douane”. De door het hof toegepaste verbetering betreft dus een verbetering die voor de strafrechtelijke betekenis van de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde overtreding van de aanmeldingsplicht uit de Landsverordening niet van belang is. [5] Daar komt bij dat de verdediging er ter terechtzitting in hoger beroep zelf ook van uit is gegaan dat het aan de verdachte tenlastegelegde feit betrekking had op de situatie rondom zijn aanhouding
in de vertrekhalvan het vliegveld van Sint Maarten en de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte van kort na zijn aanhouding bovendien met zoveel woorden inhoudt dat hij het geld dat hij op 14 februari 2015
in de vertrekhalonder zich had eigenhandig in zijn koffer heeft gestopt. [6] Nu – anders dan de steller van het middel suggereert – bij de verdachte geen onduidelijkheid ten aanzien van het aan hem gemaakte verwijt heeft bestaan, heeft het hof kennelijk ook ten aanzien van de tweede toegepaste verbetering van de bewezenverklaring van het gerecht geoordeeld dat de verdachte door deze verbetering niet in zijn belangen werd geschaad. Dit oordeel is gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd, zodat de eerste klacht van het tweede middel in haar geheel niet tot cassatie leidt.
tweede klachtvan het tweede middel ben ik kort. Met deze klacht wordt gesteld dat het hof het in eerste aanleg gewezen vonnis van het gerecht niet kon bevestigen zoals het dat heeft gedaan, omdat het hof in zijn vonnis aan de vermelding van de toepasselijke wettelijke voorschriften in het vonnis van het gerecht weliswaar de inderdaad van toepassing zijnde (nieuwe) witwasbepaling van art. 2:204 van Pro het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten heeft toegevoegd, maar de onjuiste vermelding van de – ook in de tenlastelegging genoemde maar niet langer van kracht zijnde – witwasbepaling van art. 435a van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen bij de kwalificatiebeslissing van het gerecht die door het hof is bevestigd onaangetast is gebleven. Daarbij wijst de steller van het middel er met name op (i) dat de nieuwe witwasbepaling van art. 2:204 van Pro het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten – die een strafmaximum van zes jaar gevangenisstraf kent – voor de verdachte gunstiger is dan de oude witwasbepaling van art. 435a van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen – die een strafmaximum van twaalf jaren gevangenisstraf vermeldt – en (ii) dat bij de strafoplegging door het gerecht dus is uitgegaan van een andere absolute en relatieve waardering van strafwaardigheid dan de waardering van strafwaardigheid die door het hof als de juiste is onderkend.