Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
7 februari 2017.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor bedrieglijke bankbreuk op grond van artikel 341 oud Pro Sr. De bewezenverklaring betrof het niet voldoen aan de verplichtingen tot het voeren en bewaren van een administratie tijdens het faillissement, met als doel de rechten van schuldeisers bedrieglijk te verkorten.
De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie over het vereiste opzet en de aanmerkelijke kans op verkorting van rechten van schuldeisers. De Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat het handelen van verdachte daadwerkelijk gericht was op bedrieglijke verkorting van die rechten. De bewijsvoering laat immers ruimte voor twijfel of verdachte zich bewust was van die aanmerkelijke kans.
Daarom is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug aan het hof voor hernieuwde berechting en beslissing op het bestaande hoger beroep. Het cassatiemiddel is daarmee gegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van het bestanddeel bedrieglijke verkorting van rechten van schuldeisers.