Conclusie
middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen is omkleed, doordat het hof in reactie op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging – inhoudend dat het verzuim de verdachte te wijzen op zijn recht een raadsman te consulteren tot bewijsuitsluiting dient te leiden – een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip “verhoor”.
bevindingen van verbalisanten:
verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :
verklaring van medeverdachte [medeverdachte]:
bevindingen van verbalisanten:
verklaring van verdachte:
NJ2009/349, m.nt. Schalken overwoog de Hoge Raad dienaangaande als volgt:
LJNAM2533,
NJ 2004, 376aan deze bepaling is gegeven, moet de rechter, indien ter zake verweer wordt gevoerd, beoordelen of aan een verzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. Een van die factoren is 'de ernst van het verzuim'. Op grond van de rechtspraak van het EHRM moet worden aangenomen dat in gevallen waarvan hier sprake is, een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Daarom zal, mede gelet op de overwegingen van het EHRM in de hiervoor onder 2.3.2 weergegeven § 55, na een daartoe strekkend verweer het in 2.7.1 omschreven vormverzuim in de regel — dus afgezien van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de door de verdachte gedane afstand van het recht om een advocaat te raadplegen alsmede de door het EHRM gereleveerde dwingende redenen — dienen te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.
NJ2012/398, m.nt. Van Kempen keerde het ‘constatering-vereiste’ – mogelijk op initiatief van het gerechtshof in die zaak – terug in de overwegingen van de Hoge Raad. [7] De verdachte die was aangehouden wegens het voorhanden hebben van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, verklaarde tijdens zijn transport naar het politiebureau uit eigen beweging (spontaan) dat hij iets heel ergs had gedaan. Volgens het hof betrof de daaropvolgende vraag van een opsporingsambtenaar wat hij dan had gedaan, niet de betrokkenheid van de verdachte bij een geconstateerd strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte was aangemerkt. Dat oordeel achtte de Hoge Raad onjuist noch onbegrijpelijk.
het delict ter zake waarvan het vermoeden van schuld is gerezen[mijn cursivering, EH], zulks ten behoeve van een eventuele strafvervolging.” Jörg is van mening dat sprake is van een verhoor “op elk moment dat een opsporingsambtenaar vragen stelt aan een verdachte die tot opheldering van het
vermoedelijk[wederom mijn cursivering, EH] begane strafbare feit kunnen bijdragen”. [8] Keulen & Knigge menen dat het verhoorbegrip uit twee elementen bestaat. Het eerste element behelst dat de persoon in kwestie als verdachte moet worden gehoord. Het tweede element, voor de beoordeling van de onderhavige zaak voornamelijk van belang, is dat de vragen “betrekking moeten hebben op het
vermoedelijk[opnieuw mijn cursivering, EH] gepleegde feit”. [9]
vaststaandeof in elk geval visueel waargenomen strafbare feiten, dan zou mijns inziens onvoldoende recht worden gedaan aan de strekking van art. 29 Sv Pro en de relevante procesrechten uit art. 6 EVRM Pro de verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling. [11] Een op dit punt (te) restrictieve uitleg van het begrip “verhoor” zou immers met zich brengen dat wanneer er geen twijfel is dat de verdachte wordt bevraagd over een
mogelijkdelict ten aanzien waarvan reeds het redelijk vermoeden bestaat dat hij het heeft begaan, deze verdachte geen aanspraak kan maken op informatie over zijn zwijgrecht en zijn recht op rechtsbijstand, zolang maar nog niet vaststaat of het feit ook daadwerkelijk is begaan en/of daadwerkelijk strafbaar is. Meer in het bijzonder in de (vele) strafzaken waarin in het voorbereidend onderzoek niet zozeer de vraag
wiehet feit heeft begaan nog opheldering behoeft, maar waarin veeleer de vraag
ofde feiten zich (strafbaar) hebben voorgedaan centraal staat, zou dat de onbevredigende consequentie hebben dat de in het kader van het voorbereidend onderzoek ondervraagde verdachte gedurende dit onderzoek van zijn verdedigingsrechten verstoken blijft.
NJ2009/349 (rov. 2.7.2 en 2.7.3), m.nt. Schalken, volgt dat de verklaringen van de verdachte die tijdens zijn verhoor zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen, dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Tevens dient bewijsmateriaal dat is verkregen als rechtstreeks gevolg van een voor het bewijs onbruikbare verklaring van dat bewijs te worden uitgesloten. Het middel is op zichzelf dan ook terecht voorgesteld.