Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
20 februari 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor witwassen van €44.000 contant geld dat bij een douanecontrole op Schiphol werd aangetroffen. Het hof baseerde de bewezenverklaring op verklaringen van de verdachte en diverse bewijsmiddelen, waaronder processen-verbaal van de douane en FIOD-onderzoek.
De verdachte voerde aan dat zijn verklaring moest worden uitgesloten omdat hem voorafgaand aan het verhoor geen cautie was gegeven, zoals vereist door art. 29, tweede lid, Sv. Het hof verwierp dit verweer met het argument dat de vragen van de douaneambtenaren niet als een verhoor in de zin van art. 29 Sv Pro konden worden beschouwd.
De Hoge Raad oordeelt echter dat ook bij het gebruik van controlebevoegdheden van opsporingsambtenaren de waarborgen van art. 29 Sv Pro in acht moeten worden genomen. Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen sprake was van een verhoor waarvoor cautie moest worden verleend. Hierdoor is het vormverzuim van art. 359a Sv niet juist beoordeeld, wat leidt tot vernietiging van het arrest.
De zaak wordt terugverwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep. De overige middelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.