Conclusie
1.Feiten en procesverloop
hofoordeelt als volgt.
manheeft in zijn memorie na cassatieverwijzing, samengevat, een groot deel van de beschikking van de Hoge Raad en de conclusie van de AG voor die beschikking geciteerd. De man voert voorts het volgende aan. Het gaat om een zeer significant bedrag. Het rapport [B] van 10 september 2012 noemt alleen een ten hoogste aan te nemen waarde van de certificaten van aandelen; het geeft niet aan hoeveel de certificaten van de aandelen exact waard zijn. De waarde van de certificaten van de aandelen was per peildatum (1 april 2010) zo goed als nihil. De man wenst nog immer een taxatie. Subsidiair verzoekt hij de waarde vast te stellen op € 1.830.161,--, conform de analyse van [B].
vrouwvoert het volgende aan. De rapportage van [B] van 10 september 2012 was niet bedoeld als deskundigenrapport in een juridisch geschil; het is slechts een analyse van de waardebepaling van de aandelen, waarbij niet werd beschikt over alle benodigde gegevens. Uitgegaan moet worden van de rapportage van PlasBossinade van 16 november 2013.
hofherinnert allereerst aan hetgeen het zojuist heeft overwogen onder het kopje “De uitleg van de bepaling in De Overeenkomst over de algemeen belang-claim”, te weten dat er geen reden is voor nadere verrekening van over- of onderbedeling ten gevolge van na het sluiten van De Overeenkomst gebleken lagere of hogere waarden van de vermogensbestanddelen, maar dat de waarde van de certificaten van aandelen daarop een uitzondering vormt. Bij het sluiten van De Overeenkomst zijn partijen weliswaar uitgegaan van een waarde van € 2.600.000,--, maar overeenstemming daarover in het kader van de nadere verrekening hebben partijen niet bereikt en die waarde is nog immer in geschil. De stelling van de vrouw dat partijen bij het sluiten van De Overeenkomst zijn uitgegaan van een waarde van € 2.600.000,-- is daarom niet relevant (met die stelling is wel rekening gehouden bij de uitleg van De Overeenkomst).
2.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale cassatieberoep
punt 5dat het hof in rov. 5.4.2, hiervoor in 1.9 weergegeven, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door het beroep van de vrouw op niet-ontvankelijkheid c.q. de vermeerdering/wijziging van eis af te wijzen, althans dat het oordeel op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Ter toelichting stelt het onderdeel in
punt 6dat de vrouw in de verwijzingsprocedure heeft gewezen op een tussenvonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juli 2016. [7] Volgens het onderdeel heeft de rechtbank daarin vastgesteld dat partijen op 4 januari 2014 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten en vervolgens geoordeeld dat de vrouw daarvan in beginsel nakoming kan vorderen. [8] Het onderdeel wijst erop dat onderdeel van de vaststellingsovereenkomst vormde dat partijen alle procedures zouden beëindigen. [9] Het onderdeel stelt verder dat de rechtbank Noord-Nederland in haar eindvonnis van 23 augustus 2017 [10] heeft bevestigd dat de vrouw in beginsel nakoming kan vorderen van de man van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van 4 januari 2014. Het onderdeel klaagt vervolgens in
punt 7dat het hof de jurisprudentie over eisvermeerdering na verwijzing heeft miskend. [11] Ter toelichting stelt het onderdeel dat het door de vrouw opgeworpen ontvankelijkheidsverweer c.q. haar eisvermeerdering ertoe strekt dat wordt voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Het onderdeel stelt dat een uitzondering wordt gemaakt op de “in beginsel strakke leer” indien zich nieuwe ontwikkelingen in juridische of feitelijke zin hebben voorgedaan die voor de beslissing van belang zijn. Betoogd wordt dat het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juli 2016 een nieuw feit oplevert, nu daarin wordt bevestigd dat de vrouw in beginsel nakoming van de vaststellingsovereenkomst kan vorderen. Mocht dit oordeel in hoger beroep [12] worden bekrachtigd, dan zou dat volgens het onderdeel kunnen leiden tot tegenstrijdige onherroepelijke uitspraken. [13] Het onderdeel stelt in
punt 8dat in het licht van het voorgaande de overweging dat het tussenvonnis van 6 juli 2016 niet een in gezag van gewijsde gegane beslissing betreft, niet relevant is, nu dit niet het risico van tegenstrijdige uitspraken wegneemt, althans het risico dat het geschil aan de hand van achterhaalde/onjuiste gegevens wordt beslist of dat een nieuwe procedure nodig is om duidelijkheid te krijgen. Het onderdeel betoogt in
punt 9dat de overweging dat de vaststellingsovereenkomst door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn beschikking van 7 augustus 2014 in de beoordeling is betrokken en derhalve geen novum is, relevantie mist omdat het tegengaan van het risico op tegenstrijdige uitspraken en het voorkomen van een beslissing op basis van achterhaalde/onjuiste gegevens dient te prevaleren. In
punt 10klaagt het onderdeel dat het hof miskent dat het tussenvonnis van 6 juli 2016 als een novum kan worden aangemerkt, nu dit vonnis dateert van na de beschikking van Uw Raad van 13 november 2015. Het onderdeel stelt verder dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bovendien in zijn beschikking van 7 augustus 2014 niet inhoudelijk is ingegaan op het onderdeel van de nakoming, maar dat het slechts heeft geoordeeld dat het niet mogelijk was om “het betreffende café/restaurant/hotel” in de lopende procedure te betrekken, en dat verder het niet-ontvankelijkheidsverweer niet aan dat hof is voorgelegd.
Deze uitzondering vindt haar rechtvaardiging hierin dat zij voorkomt dat het geschil zou moeten worden beslist aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens [14] .
nietop, zodat in cassatie van de juistheid ervan moet worden uitgegaan. Uitsluitend de man is van de beschikking van 7 augustus 2014 in cassatie gekomen. De vrouw heeft van haar zijde geen (incidenteel) cassatieberoep ingesteld tegen die beschikking. Dit had tot gevolg dat het verwijzingshof gebonden was aan de genoemde afwijzende beslissing. [20]
zijnbetrokken en al aan één van partijen
zijnovergedragen, is meegenomen. Ook in de vaststellingsovereenkomst van 4 januari 2014 wordt de onderhavige procedure tussen partijen niet uitdrukkelijk genoemd, in tegenstelling tot andere procedures tussen partijen. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft destijds in rechtsoverweging 10 van zijn beschikking van 7 augustus 2014 overwogen dat “[C]” - het bedrijf waarover partijen eveneens een geschil hebben, welk geschil ten grondslag ligt aan het vonnis van 6 juli 2016 - een integrerend deel uitmaakt van de overeenkomst van 4 januari 2014 en dat die overeenkomst niet zonder dat bedrijf erin te betrekken onderdeel van de onderhavige procedure kan zijn. Tegen dat oordeel is, zoals gezegd, destijds geen cassatieklacht gericht en het hof heeft terecht overwogen dat het vonnis van 6 juli 2016 ook niet te beschouwen is als een novum in de onderhavige procedure.
punt 12dat het oordeel in genoemde overwegingen onjuist is, althans onvoldoende gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd (i) dat uit de feitenvaststelling door het hof blijkt dat partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst overeenstemming hebben bereikt over een waarde van de certificaten in kwestie van € 2.600.000,-, (ii) dat daarbij niet blijkt van enig door de man gemaakt voorbehoud, althans dat het hof daarover niets heeft vastgesteld, en (iii) dat verder blijkt dat de man zich pas op 5 november 2012 afvroeg welke waarde de certificaten werkelijk hadden. Onder deze omstandigheden valt volgens het onderdeel niet in te zien waarom met betrekking tot de waarde van de (certificaten van) aandelen een uitzondering moet worden gemaakt op het oordeel dat de waarden van alle vermogensbestanddelen inmiddels zijn komen vast te staan en dat er geen reden is voor nadere verrekening van over- of onderbedeling ten gevolge van na het sluiten van de overeenkomst gebleken lagere of hogere waarden van vermogensbestanddelen. Het onderdeel stelt ter toelichting dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst van 23 maart 2010 overeenstemming hadden over de waarde van de certificaten van aandelen en dat die overeenkomst een (partiële) overeenkomst van verdeling is die op 1 april 2010 notarieel is vastgelegd en daarvan onlosmakelijk deel uitmaakt. Het onderdeel stelt dat een verrekening niet ziet toe op de vaststelling van de waarde van de te verdelen goederen maar of sprake is van onder- of overbedeling, en dat de waarde al door partijen vastgesteld en daarmee een gepasseerd station was. Het onderdeel stelt in
punt 13dat een en ander temeer klemt daar het hof in het kader van de uitleg van de overeenkomst en de onder- of overbedeling in rov. 5.7.6 wel uitgaat van een waarde van de certificaten van de aandelen in kwestie van € 2.600.000,- en een aanmerkelijk belang-claim van € 650.000,-. Het onderdeel klaagt dat dit innerlijk tegenstrijdig is. Het onderdeel stelt in
punt 14dat de man, indien hij zich na het sluiten van de overeenkomst afvroeg welke waarde de certificaten van aandelen hadden, hij in feite heeft gedwaald over de waarde ervan, en dat hij gelet daarop een beroep op art. 3:196 BW Pro had behoren te doen. Nu het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn beschikking van 7 augustus 2014 (rov. 19) heeft overwogen dat de man heeft gesteld dat in de procedure kan worden uitgegaan van de rechtsgeldigheid van de overeenkomst, en tegen dat oordeel in cassatie niet is opgekomen, is er volgens het onderdeel geen rechtsgrond voor het door het hof gemaakte onderscheid tussen de waarde bij verdeling en de waarde bij verrekening, indien partijen daarover overeenstemming hebben bereikt. Het onderdeel klaagt dat het hof dit heeft miskend, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de bereikte overeenstemming niet zou gelden bij de verrekening. Het onderdeel stelt in
punt 15dat daarbij komt dat niet in geschil is dat partijen met betrekking tot zowel de huwelijkse voorwaarden als de overeenkomst van 23 maart 2010 overeenstemming hebben bereikt over de peildatum van 1 april 2010 en dat de betreffende (certificaten van) aandelen op die datum zijn geleverd aan de man. Zonder nadere motivering is volgens het onderdeel onbegrijpelijk waarom het hof in het kader van de verrekening van een andere dan de overeengekomen waarde wenst uit te gaan, terwijl partijen het bij het sluiten van de overeenkomst eens waren over zowel de waarde als de peildatum. Dat klemt volgens het onderdeel temeer daar de peildatum van 1 april 2010 kort na de datum van het sluiten van de overeenkomst van 23 maart 2010 ligt, terwijl het hof constateert dat de man zich pas op 24 augustus 2010 afvroeg welke waarde de certificaten werkelijk hadden.
Subsidiairstelde de man dat, wanneer naar het oordeel van het hof wel verrekening moet plaatsvinden, de waarde van de certificaten van aandelen inzake de [A-groep] moet worden vastgesteld op de waarde, vermeld in het door hem ingebrachte rapport van [B] B.V. van 10 september 2012. [23] Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft de primaire stelling van de man als volgt verworpen: [24]
subsidiaireverzoek van de man besproken bij de behandeling van grief IV. Het hof oordeelde als volgt in de rov. 31 t/m 37:
met betrekking tot grief IV:
moestworden bepaald, stond in het licht van het slagen van de onderdelen II d en IIe [26] in de procedure na verwijzing allerminst vast. [27] Terzijde merk ik op dat een stelling met die inhoud niet door de vrouw in de feitelijke instanties voorafgaande aan de eerste procedure in cassatie is ingenomen. Het onderdeel verwijst in ieder geval niet naar een vindplaats.
punt 17wordt geklaagd dat dit oordeel onbegrijpelijk is, nu de rapportage namens de vrouw is ingebracht bij akte van 14 november 2013 in de procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. [28] Het onderdeel stelt verder dat het hof niet inzichtelijk maakt of genoemde rapportage zich ook niet in het procesdossier van de man bevond.
in de procedure na verwijzinggeen enkele vindplaats wordt genoemd. Dit kennelijke oordeel is niet onbegrijpelijk. Thans in cassatie wordt niet verwezen naar een vindplaats in de verwijzingsprocedure. Van de vrouw had mogen worden verwacht dat ze duidelijk gedocumenteerd had vermeld waar de genoemde rapportage in het omvangrijke procesdossier kon worden geraadpleegd. Dit is evenwel niet gebeurd. Van het hof mocht niet worden verlangd dat het de processtukken zonder een deugdelijke verwijzing naar een vindplaats zelfstandig zou doorzoeken. Voor zover het onderdeel betoogt dat zulks wel van het hof mocht worden verlangd gaat het uit van een opvatting die geen steun in het recht vindt [30] .
punt 18dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting “door onder deze omstandigheden en in deze fase van de procedure” geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid uit hoofde van art. 22 Rv Pro en dat het, gelet op het belang van de waarheidsvinding en de bewijspositie van de vrouw en in het kader van de goede procesorde, bovendien een afweging had behoren te maken of het verzuim van de onvindbare productie rechtvaardigt dat deze terzijde wordt geschoven zonder dat de vrouw de kans op herstel wordt geboden.
niet(reeds) was gebeurd -, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting.
punt 19tegen het oordeel in rov. 5.8.4 [32] dat aan de overige door de vrouw genoemde deskundigenrapporten geen betekenis kan worden toegekend, nu ook daarin de waardebepaling niet heeft plaatsgevonden op de peildatum dan wel deze zijn opgesteld voor andere doeleinden dan (alleen) de waardering van (de certificaten van) de aandelen. Ter toelichting wijst het onderdeel erop dat de vrouw heeft gewezen op het rapport van de door de Ondernemingskamer aangestelde deskundige Den Hollander, [33] waarin een waarde van € 2.600.000,- is vastgesteld, en dat naar aanleiding van deze rapportage de waarde van € 2.600.000,- tot stand is gekomen. [34] Het onderdeel stelt dat in de overeenkomst is opgenomen dat partijen de procedure bij de Ondernemingskamer zullen beëindigen, dat de Ondernemingskamer op 1 april 2010 een beschikking heeft gegeven waarin staat dat partijen een minnelijke regeling hebben getroffen en dat partijen bij de totstandkoming van de overeenkomst van 23 maart 2010 en de notariële akte van verdeling van 1 april 2010 als peildatum zijn uitgegaan. Het onderdeel stelt verder dat de man weliswaar heeft betwist dat de Ondernemingskamer deze waarde bindend heeft vastgesteld, maar dat dit niet wegneemt dat aan het rapport van Den Hollander betekenis kan worden gehecht nu daarin een waardebepaling is opgenomen en deze toeziet op de peildatum, althans dat de waardebepaling in het rapport in overeenstemming is met het bedrag waar partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst en het passeren van de akte op de peildatum vanuit zijn gegaan. Het onderdeel klaagt dat het oordeel van het hof op dit punt zodoende onbegrijpelijk is en dat dit ook geldt indien mocht worden verondersteld dat het rapport van Den Hollander voor een ander doeleinde dan alleen de waardering van de aandelen is opgesteld. Volgens het onderdeel volgt uit het voorgaande dat de door partijen overeengekomen waardebepaling direct samenhing met de rapportage. Volgens het onderdeel valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom die rapportage dan “terzijde wordt geschoven”.
zelfstandigeen deskundige te benoemen om de waarde van de (certificaten van de) aandelen vast te stellen. Zie art. 194 lid 1 Rv Pro. Het hof kon derhalve het door de man op dat punt gedane verzoek honoreren. Als ik het goed zie komt het middel tegen die toewijzing (rov. 5.8.4, laatste alinea) niet op.
Dit is geheel conform het standpunt van de vrouw. In zoverre heeft de vrouw in het kader van het oordeel over genoemde vraag geen nadeel ondervonden van het eventueel niet aan de passivakant (van de vrouw) opnemen van het bedrag van € 500.000,-.
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele cassatieberoep
explicietbuiten beschouwing gelaten, nu die post voorwerp van geschil is. Tegen dit oordeel wordt in cassatie geen klacht gericht. Ook indien met betrekking tot de vermogensbestanddelen die partijen in de overeenkomst van 23 maart 2010 hebben verdeeld zou moeten worden uitgegaan van een overbedeling van de man van € 562.899,- in plaats van het door het hof aangenomen bedrag van € 508.323,50, kan de slotsom dat een (eventuele) aanmerkelijk belang-claim (berekend op 25% van € 2.600.000,- = € 650.000,-) reeds in de prijs van de (certificaten van) aandelen van € 2.600.000,- is meegenomen, en dat de man ter zake van een eventuele aanmerkelijk belang-claim niets meer van de vrouw te vorderen heeft, stand houden. Dit kan als volgt worden toegelicht. Het hof heeft aan het slot van de tweede alinea van rov. 5.7.6 geoordeeld dat de (uiteindelijke) onderbedeling van de man met een bedrag van (€ 650.000,- -/- 508.323,50 =) € 141.676,50 gering is in verhouding tot de totale waarde van de verdeelde vermogensbestanddelen. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Indien met betrekking tot de verdeelde vermogensbestanddelen rekening moet worden gehouden met een overbedeling van de man van € 562.899,-, dan zou de man voor een bedrag van (€ 650.000 -/- € 562.899,- =) € 87.101,- worden onderbedeeld. Dit bedrag is minder dan het bedrag dat het hof noemt. In zoverre zou kunnen worden betoogd dat de klacht bij gebrek aan belang reeds niet tot cassatie kan leiden.
zelfhebben verklaard omtrent de bedoeling van de overeenkomst van 23 maart 2010. In dat verband is van belang dat de hiervoor in 3.7 onder (i) genoemde stelling tamelijk lang geleden is ingenomen en dat aan recente verklaringen meer betekenis kon worden gehecht. Daarbij is niet zonder belang dat de man en de vrouw ter zitting
allebeihebben verklaard dat het hen bij de overeenkomst ging om een min of meer gelijke verdeling, waarbij partijen ongeveer het zelfde zouden krijgen. De klacht faalt.