Conclusie
2. LEGAAT TEN BEHOEVE VAN DOCHTER
behoudensde uiterste wilsbeschikkingen vervat in mijn testament op vier juni tweeduizend acht verleden voor mr. M.P. Bongard, notaris te Amsterdam. Ik wens een wijziging aan te brengen in de erfstelling als vermeld in 3.1. en de benoeming executeur/afwikkelingsbewindvoerder als vermeld in 7 van het genoemde testament de dato vier juni tweeduizend acht en wel zodanig:
en indien hij vóór of gelijktijdig met mij komt te overlijden zijn echtgenote.
2.Volgorde bespreking principale en voorwaardelijk incidentele cassatieberoep
3.Bespreking van onderdeel I van het principale cassatieberoep
Subonderdeel I.1klaagt dat het hof ten onrechte dat bezwaar niet heeft gehonoreerd, althans een methodiek heeft gehanteerd waarin niet duidelijk wordt gemaakt welke stellingen van partijen het voor juist houdt en derhalve (naast de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen geen grieven zijn gericht) als vaststaande feiten aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Daarmee is het arrest niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat het niet voldoet aan de eis dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig dient te worden gemotiveerd, dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken [16] , aldus het subonderdeel.
Subonderdeel I.2bevat een voortbouwklacht.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep
Wens van erflater in 2010 om de wettelijke verdeling in stand te laten?
In dat telefoongesprek gaf Erflater te kennen naast het executeurschap ook de erfstelling te willen wijzigen en [de echtgenote] daarbij te willen laten vervangen door de Stichting [de stichting] (de Stichting) een stichting met een idealistisch oogmerk, opgericht door erflater.” (cursivering door het hof).
In aansluiting op ons telefonisch onderhoud, waarbij u ook een wijziging van de erfgenamen wenst, te weten de Stichting [de stichting] in plaats van uw echtgenote, mevrouw [de echtgenote], doe ik u bijgaand het gewijzigde concept van uw testament toekomen”.
“De heer [erflater] heeft mij aangegeven dat het zijn bedoeling was dat de erfgenamen zouden erven, doch dat volgens hem die pas aan de beurt zouden komen nadat zijn echtgenote zou zijn overleden. Dit lees ik ook in punt 5 van meergenoemd testament d.d. 4 juni 2008, waarin staat vermeld: ”behoudens voorzover daarvan bij dit testament is afgeweken, is op mijn nalatenschap de wettelijke verdeling....enz”. ”Uit dit citaat volgt naar het oordeel van het hof dat de notaris - gelet op het bepaalde in art 4:13 BW Pro - er toen vanuit ging dat de wettelijke verdeling van toepassing is. Dit citaat staat in de visie van het hof haaks op hetgeen [de notaris] heeft gesteld, te weten dat hij erflater erop heeft gewezen dat de wettelijke verdeling niet meer van toepassing is, indien [de echtgenote] geen erfgenaam meer is van erflater.
subonderdeel 1.3dat m.i. van de verste strekking is. Dit subonderdeel klaagt kort gezegd dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd, omdat zonder nadere, ontbrekende, toelichting niet valt in te zien waarom uit de vaststelling – samengevat – dat de notaris niet aan zijn voorlichtingsverplichting jegens de erflater zou hebben voldaan volgt dat de erflater [23] in 2010 en 2011 nog de wens had om de wettelijke verdeling in stand te laten en/of de notaris om die reden niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs ter zake.
Uitleg van de uiterste wil van erflater.
‘de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenste te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt'(art. 4:46 lid 1 BW Pro), tot uitlegging nopen, waarbij rekening kan worden gehouden met het ten opzichte van het maken van het testament anterieure en posterieure feiten en omstandigheden buiten de uiterste wil om. Hieruit volgt dat de wettelijke regeling van uitleg van uiterste wilsbeschikkingen, in het bijzonder art. 4:46 BW Pro, er in het onderhavige geval mijns inziens zeer zeker niet aan in de weg staat om ook tot een andere uitleg te komen dan de uitleg die gevolgd is in de vaststellingsovereenkomst.”
welvan toepassing is of hoort te zijn en het dus een misslag van de notaris is geweest om [de echtgenote] niet bij de erfstelling op te nemen, dan kunnen de erfgenamen en [de echtgenote] gezamenlijk door middel van het sluiten van een vaststellingsovereenkomst de volgens hen juiste uitleg van de testamenten vaststellen en daarmee deze vaststelling in hun onderlinge verhouding ook laten gelden. Een eventuele uitleg van het testament waarbij [de echtgenote] alsnog erfgenaam zou worden is wel mogelijk, zelfs al zou dit leiden tot een met de wet strijdig resultaat.”
“Naar mijn oordeel leidt uitlegging volgens de maatstaf van artikel 4:46 lid 1 BW Pro ertoe aan te nemen dat in ieder geval artikel 5 onduidelijk Pro is en geen duidelijke zin heeft. Het is immers onduidelijk of Erflater deze bepalingen bij de testamenten van 2010 en 2011 heeft willen schrappen en deze bepaling ten gevolge van een omissie van de Notaris niet in de uiterste willen van 4 oktober 2010 en 25 november 2011 is herroepen, of dat het de bedoeling van Erflater was deze beschikkingen te handhaven.”(cursivering door het hof).
subonderdeel 2.2kort gezegd dat het hof eraan voorbij heeft gezien dat de echtgenote aan haar (onrechtmatige daads)vordering alsmede aan haar stelling dat van schade sprake is, in eerste aanleg en in hoger beroep ten grondslag heeft gelegd dat de notaris in strijd met de wil van de erflater en zonder hem op de gevolgen van het schrappen van de echtgenote als erfgenaam [35] te wijzen, de wettelijke verdeling buiten toepassing heeft gesteld door haar niet langer als erfgenaam bij de erfstelling in de testamenten uit 2010 en 2011 op te nemen en dat het in stand gelaten dictum van de rechtbank onder 4.1 van het vonnis van 12 augustus 2015 een verklaring voor recht van die strekking inhoudt. Het subonderdeel betoogt dat voor toe- of afwijzing van de vordering en de beoordeling van de tegen dictumonderdeel 4.1 gerichte grieven dus wel van belang is hoe het testament uit 2011 moet worden uitgelegd.
subonderdeel 3.3dat het oordeel en de motivering die instandlating niet kan dragen, kort gezegd, omdat de overwegingen van het hof niet op begrijpelijke wijze de conclusie kunnen dragen dat de notaris de wettelijke verdeling heeft uitgesloten, naar volgens het subonderdeel in het dictum onder 4.1 van het eindvonnis wel besloten ligt of lijkt te liggen.
Subonderdeel 4.1klaagt dat het hof ten onrechte niet, althans niet op voldoende gemotiveerde wijze, op dit verweer heeft gerespondeerd.
Subonderdeel 4.2klaagt, voor zover het hof bij zijn uiteenzetting van de door de notaris in acht te nemen zorgvuldigheidsnormen in rov. 19-27, met name rov. 20 en 22, heeft geoordeeld dat die norm ongeacht de hiervoor onder (a)-(c) genoemde omstandigheden strekt tot bescherming van de echtgenote, dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat onder die omstandigheden niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste.
Subonderdeel 4.3gaat uit van de lezing dat het hof in rov. 62 het relativiteitsverweer heeft gehonoreerd en klaagt dat in dat geval niet navolgbaar is waarom het hof het dictum onder 4.1 van het eindvonnis van de rechtbank in stand heeft gelaten.
5.Bespreking van onderdelen II e.v. van het principale cassatieberoep
onderdelen II-IVzijn gericht tegen de rov. 59-62, waarin het hof als volgt heeft overwogen:
Eigen gedrag van [de echtgenote] en billijkheidscorrectie
“Die verwerping is overigens opmerkelijk, althans roept vragen op, aangezien de voorzitter van de Stichting (te weten [betrokkene 2] ) tevens erfgename is in Testament 2011 en het erfdeel van de Stichting dus door deze verwerping onder meer bij haar zou aanwassen. Kort en goed: de verwerping van de nalatenschap door de Stichting waarvan [betrokkene 2] voorzitter is, brengt met zich dat die [betrokkene 2] (en de andere erfgenamen, waaronder haar zus) daardoor een groter erfdeel zou toekomen”(cursivering door het hof).
“Mijn moeder en stiefvader hadden al een trust opgericht voor de kinderen, zodat wij goed konden leven, maar niet buitensporig. De rest van het geld zou komen na beider overlijden. Nadat het testament was gewijzigd, heeft mijn stiefvader mij gezegd dat de stichting [de stichting] als erfgenaam was toegevoegd en dat de rest van het testament hetzelfde was gebleven.”
condicio sine qua non-verband dan wel in de zin van art. 6:98 BW Pro en) eigen schuld van de echtgenote op de voet van art. 6:101 BW Pro [44] .
jegens een andergepleegde onrechtmatige daad [50] .
nemo auditur suam turpitudinem allegans(‘hij die zijn eigen onzedelijkheid aanvoert vindt in rechte geen gehoor’),
ex turpi causa non oritur actio(‘uit een onzedelijke oorzaak ontstaat geen rechtsvordering’) en
in pari delicto potior est condicio defendentis(‘bij gelijke onrechtmatigheid is de situatie van de gedaagde sterker’) [57] . Zij achten het echter ook mogelijk de beslissingen in verband te brengen met de leer van de ongeschreven rechtvaardigingsgronden, het leerstuk van de rechtsverwerking op grond van redelijkheid en billijkheid [58] .
in pari delictoverkerende eiser denkbaar is dat in verband met het gedrag van eiser het relativiteitsvereiste zich doet gevoelen [59] .
jegens(curs. A-G) de echtgenote een zorgvuldigheidsnorm heeft overschreden.