Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
3.Het geding in cassatie
HR BNB 2010/208 [9] . Het middel betoogt dat voor de beoordeling of een verzoek om teruggaaf tijdig is gedaan, niet alleen van belang is het moment waarop kan worden aangenomen dat de vorderingen niet zullen worden betaald. Het tijdstip waarop een verzoek om teruggaaf uiterlijk moet worden gedaan is volgens het middel het moment waarop in rechte geen betaling meer kan worden gevorderd. Aangezien belanghebbende op 5 mei 2014 nog betaling van de huur kon vorderen, is het verzoek tijdig gedaan. Het oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het Hof van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
Verzoek om teruggaaf als bedoeld in artikel 29, lid 1, aanhef en letter a, Wet OB (onderdeel 1 van het middel)
als in de omstandigheid dat het bedrag in verband met de financiële toestand van de afnemer niet of niet geheel kan worden geïnd.” [11]
HR BNB 1991/315 [14] :
HR BNB 1991/315heeft de Hoge Raad overwogen dat geen aanleiding bestaat aan te nemen dat de wetgever voor gevallen van gehele of gedeeltelijke niet-betaling verder heeft willen afwijken van het bepaalde in de richtlijn, dan welke mogelijk is gemaakt door artikel 29, lid 3, van de Wet OB. De afwijking van de richtlijn betreft dus enkel de gevallen van korting voor contante betaling.
Lombard Ingatlan Lízing. [18] heeft het HvJ daartoe overwogen:
Almos Agrárkülkereskedelmi [19] heeft het HvJ dit beslist. Het HvJ verwoordde dit als volgt:
Gamesa Wind România. [22] Ik citeer punt 34 van dit arrest:
HR BNB 1991/315heeft de Hoge Raad beslist dat het recht op teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop redelijkerwijs moet worden aangenomen dat betaling door de schuldenaar achterwege zal blijven. Ik citeer uit dit arrest:
HR BNB 2010/208zijn daaraan twee belangrijke nuanceringen toegevoegd. Nadat de Hoge Raad zijn hiervoor weergegeven rechtsregel uit
HR BNB 1991/315herhaalde, heeft hij vervolgens in de eerste plaats overwogen dat een redelijke wetstoepassing mee brengt dat de ondernemer enige beoordelingsvrijheid heeft met betrekking tot de vraag of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat betaling achterwege zal blijven. De Hoge Raad heeft daaraan toegevoegd dat een verzoek om teruggaaf uiterlijk moet worden gedaan bij de aangifte over het eerste tijdvak waarin betaling van de vergoeding in rechte niet meer kan worden gevorderd. De desbetreffende overwegingen luiden als volgt:
HR BNB 2010/208is dat het verzoek moet worden gedaan op het tijdstip dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de vergoeding niet zal worden betaald, en dat wanneer dat tijdstip nog niet is aangebroken, het verzoek uiterlijk moet worden gedaan als betaling in rechte niet meer kan worden gevorderd. Bij deze benadering komt slechts één tijdvak in aanmerking waarop het verzoek om teruggaaf moet worden gedaan.
T-2dat niet-betaling van de aankoopprijs – anders dan annulering, verbreking en ontbinding [27] – de partijen niet terugplaatst in hun oorspronkelijke toestand en vervolgt:
HR BNB 2010/208is het nuttig de daarin voorliggende casus te analyseren.
T-2. In punt 42 overweegt het HvJ dat de nationale rechter moet nagaan of de koper naar het toepasselijke nationale recht de overeengekomen prijs verschuldigd blijft, en of de verkoper of leverancier nog steeds een vordering heeft die hij voor de rechter geldend kan maken. Zou die rechter tot de constatering komen dat de schulden van de schuldenaar zodanig verminderd zijn dat het desbetreffende deel van de vorderingen van diens leveranciers definitief oninbaar is geworden, dan is geen sprake meer van niet-betaling, maar van een andere situatie waarop artikel 90, lid 1, van de Btw-richtlijn (ook) ziet. Ik verwijs in dit verband naar de punten 34 en 35 van
T-2. Deze lezing brengt mee dat ook nog ter gelegenheid van de beëindiging van het faillissement om teruggaaf kan worden verzocht.