Conclusie
eerstemiddel betoogt dat de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk zou zijn verklaard in zijn hoger beroep omdat noch bij appelschriftuur noch ter terechtzitting grieven naar voren zouden zijn gebracht tegen het vonnis van de politierechter. Namens de verdachte zou (volgens de steller van het middel) wel degelijk tijdig, namelijk op 30 september 2014, een appelmemorie zijn ingediend. [1]
BESLISSING
tweedemiddel is onderverdeeld in een onderdeel a en een onderdeel b. In onderdeel a klaagt de steller dat de raadsman die de appelmemorie heeft ingediend ten onrechte niet als advocaat in kennis is gesteld van de oproeping van de verdachte voor de zitting in hoger beroep die op 1 mei 2015 plaatsvond.
tweedemiddel betoogt onder onderdeel b nog dat — wat de toepasselijkheid van de ‘Salduzwetgeving’ betreft — ten onrechte onderscheid zou zijn gemaakt tussen de situatie waarin een verdachte is aangehouden en de situatie waarin de verdachte wordt uitgenodigd voor verhoor. Deze klacht richt zich niet tegen een beslissing van het gerechtshof en faalt (reeds) om die reden.