Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
13 juni 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag. De Hoge Raad onderzoekt of het hof het voorschrift van art. 51 (oud) Wetboek van Strafvordering heeft nageleefd, dat vereist dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman van de verdachte wordt verzonden.
Uit de stukken blijkt dat geen afschrift van de dagvaarding of oproeping aan een raadsman is verzonden en dat het hof ten onrechte oordeelde dat het voorschrift niet van toepassing was omdat uit de appelschriftuur niet kon worden afgeleid dat de verdachte zich in hoger beroep van rechtsbijstand had voorzien. De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat een raadsman als zodanig moet worden erkend indien uit enig stuk in het dossier blijkt dat de verdachte rechtsbijstand heeft.
Gelet hierop oordeelt de Hoge Raad dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd of zijn oordeel niet begrijpelijk is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en afdoening van het hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.