Conclusie
middelbehelst de klacht dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet naar de eis der wet voldoende met redenen is omkleed.
€ 2.544,80”
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Amsterdam van 14 juni 2017, waarin betrokkene werd veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet en tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt.
Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op basis van een kweekcyclus van twee weken, maar vermeldde niet welk bewijsmiddel deze aanname ondersteunde. De advocaat-generaal stelde dat deze schatting niet voldoet aan de eis van voldoende motivering en wettige bewijsmiddelen zoals voorgeschreven in artikel 511f Sv.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte een civielrechtelijke benadering hanteerde door het uitgangspunt van de advocaat-generaal over te nemen zonder dit te onderbouwen met wettige bewijsmiddelen. Ook kan de kweekcyclus niet worden aangemerkt als een feit van algemene bekendheid.
Verder is vastgesteld dat het rapport dat ten grondslag lag aan de prijs per hennepstek ter zitting niet is voorgelezen, maar de verdediging had geen behoefte aan verder voorhouden van stukken, zodat dit geen schending oplevert.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting van de ontnemingsvordering, waarbij het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel adequaat moet motiveren en baseren op wettige bewijsmiddelen.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting van de ontnemingsvordering.