“Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde feit, nu de verdachte geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de diefstal van de scooter. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben de scooter zien staan en laatstgenoemde heeft besloten de scooter mee te nemen. [medeverdachte] heeft de scooter gestart en hij is ermee weggereden De verdachte zat achterop. Dat is volgens de raadsman onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte met de diefstal heeft ingestemd en de diefstal heeft medegepleegd.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende en nauwe samenwerking.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij met de medeverdachte [medeverdachte] in de buurt van het winkelcentrum liep. [medeverdachte] zag de scooter, de sleutels zaten er nog in. De verdachte en [medeverdachte] zijn naar de scooter gelopen, [medeverdachte] startte de scooter, de verdachte is achterop gesprongen en zij zijn samen weggereden, aldus de verdachte. De verdachte heeft voorts verklaard dat de scooter niet van hem was, dat hij wist dat die scooter evenmin van [medeverdachte] was en dat hij wist dat de scooter van een onbekende moest zijn. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte nog verklaard dat hij voornoemde handelingen stelen zou noemen.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van de wegneemhandelingen van de scooter. De rollen die de verdachte en [medeverdachte] daarbij hebben gehad zijn onderling uitwisselbaar. Het is niet relevant wie de scooter daadwerkelijk heeft gestart en bestuurd. Van het enkele niet distantiëren dan wel louter instemmen is – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – geen sprake. Het hof acht daarom de onder 3 tenlastegelegde diefstal in vereniging bewezen.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 4
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde feit, nu de verdachte ook ten aanzien van dit feit geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de diefstal. De enkele omstandigheid dat de verdachte bij de diefstal aanwezig is geweest kan niet leiden tot een bewezenverklaring. Daarnaast is niet vast komen te staan dat de fiets daadwerkelijk een ander toebehoort nu er geen aangifte is gedaan, zodat ook om die reden vrijspraak dient te volgen, aldus de raadsman. Ook de advocaat-generaal is van oordeel dat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op 15 december 2015 heeft de politie de navolgende anonieme melding ontvangen:
Vanuit mijn appartement heb ik goed zicht op het terrein voor het winkelcentrum Banne Centrum. Er staat daar een groot aantal fietsen gestald van omwonenden en andere mensen Ik zag dat tussen deze fietsen vier Marokkaanse jongens liepen van ongeveer 15 jaar oud. Ze waren allemaal donker gekleed. Drie van de jongens droegen een zwarte jas en een van hen droeg een donkerblauwe jas. De straatverlichting brandde en de afstand van mij tot de jongens was dusdanig dat ik dit zeer duidelijk kon waarnemen.
De jongens liepen tussen de fietsen te kijken naar verschillende fietsen en hun sloten. Ik zag dat de jongen met de blauwe jas een fiets had opgepakt en nu meedroeg waarbij hij het achterwiel van de grond hield. De manier waarop hij dit deed gaf mij het idee dat hij deze fiets niet van hem was en dus op dit moment werd gestolen. Daarop heb ik meteen de politie gebeld.
Ik zag dat de andere drie jongens nog een beetje bleven rommelen tussen de gestalde fietsen. Een van die jongens had een zaklampje of telefoon of iets dergelijks waarmee hij meerdere fietsen en fietssloten bescheen en bekeek. Ik zag dat jongen met de blauwe jas die de fiets onder zijn arm had de straat overstak via het zebrapad. Hij liep in de richting van de oude flats, de Crabschuytstraat in. In de Crabschuytstraat zag ik dat de vier jongens weer bij elkaar kwamen en samen liepen zij met de fiets in de richtingvan de Bolschipstraat. Ik zag dat de jongens samen naar het slot keken van de fiets.
De verdachte heeft op 16 december 2015 tegenover de politie het volgende
verklaard:
V - vraag verbalisant A = antwoord verdachte
V: Het gaat om diefstal van een fiets. Wat kun jij hierover vertellen? Ik ben benieuwd wat jij hebt gehoord en gezien en of je het misschien wel zelf hebt gedaan.
A: We waren met een groep. En we zagen een fiets dus we hadden hem meegenomen. En toen zagen we opeens politie. Dus het is wel waar.
V : Hoe ging dat precies met die fiets?
A; Een andere vriend, [betrokkene 2], heeft hem meegesleurd naar een andere plek dus wij gingen er achteraan.
Het hof is van oordeel dat deze verklaring van de verdachte de inhoud van de hierboven weergegeven anonieme melding bevestigt. Hieruit volgt dat de groep jongens, onder wie de verdachte, samen naar fietsen en sloten van fietsen heeft gekeken en dat vervolgens een fiets door een van de jongens is opgetild en meegenomen naar een andere plek, de rest van de groep er achteraan is gelopen waarna die groep jongens nader naar het slot van die fiets keek. Op grond van de genoemde bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. De bijdrage van verdachte hieraan is naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen. De enkele omstandigheid dat medeverdachte [betrokkene 2] de fiets heeft opgetild en verplaatst doet aan het voorgaande niet af, gezien de gezamenlijke handelingen die daaraan voorafgingen en na de verplaatsing nog zijn gevolgd.
Voorts overweegt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat de op slot staande fiets niet aan iemand heeft toebehoord of dat het een achtergelaten fiets betrof. De enkele omstandigheid dat er geen aangifte is gedaan is daartoe onvoldoende. Het hof verwerpt derhalve het gevoerde verweer op dat punt.”