Conclusie
eerste middelricht zich tegen de veroordeling ter zake van feit 3, terwijl het
tweede middelde veroordeling ter zake van feit 4 betreft. Beide middelen betreffen het daderschap (tezamen en in vereniging met (een) ander(en)). Hoewel het cassatieberoep zich ook tegen het vijfde feit richt is daartegen geen middel geformuleerd.
verklaard: