ECLI:NL:PHR:2018:1469

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 december 2018
Publicatiedatum
1 februari 2019
Zaaknummer
18/04613
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 6 Wet BopzArt. 5 lid 1 Wet BopzArt. 16 lid 2 Wet BopzArt. 37a Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vereiste psychiater bij gecombineerde diagnose voor machtiging voortgezet verblijf Wet Bopz

In deze zaak gaat het om de vraag of een geneeskundige verklaring opgesteld door een arts voor verstandelijk gehandicapten voldoende is voor het verkrijgen van een machtiging tot voortgezet verblijf onder de Wet Bopz, wanneer sprake is van een gecombineerde diagnose van een verstandelijke beperking en psychiatrische problematiek.

Betrokkene verbleef in een inrichting voor verstandelijk gehandicapten en er was een machtiging tot voortgezet verblijf nodig. De arts voor verstandelijk gehandicapten stelde een verklaring op met als hoofddiagnose een lichte verstandelijke beperking en bijkomende psychiatrische trekken. De rechtbank verleende de machtiging, ondanks het verweer dat een psychiater de verklaring had moeten opstellen.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat bij gecombineerde diagnoses die het deskundigheidsgebied van een psychiater raken, ook een verklaring van een psychiater vereist is. De arts voor verstandelijk gehandicapten kan het onderzoek geheel aan de psychiater overlaten. De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor verdere behandeling.

De conclusie is dat bij gecombineerde diagnoses waarbij psychiatrische stoornissen een rol spelen, een psychiater betrokken moet zijn bij het onderzoek en de verklaring, ook als de verstandelijke beperking als belangrijkste diagnose wordt gezien.

Uitkomst: De beschikking tot machtiging voortgezet verblijf wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek waarbij ook een psychiater betrokken moet worden.

Conclusie

Zaaknr: 18/04613 mr. M.L.C.C. Lückers
Zitting: 4 december 2018 Conclusie inzake:
[betrokkene]
(hierna: betrokkene),
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later
tegen
De Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Den Haag,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
In deze Bopz-zaak is aan de orde de vraag of in geval van een gecombineerde diagnose (een verstandelijke handicap en een psychiatrische problematiek), waarbij de verstandelijke beperking als belangrijkste diagnose is aangemerkt, een door een arts verstandelijk gehandicapten opgestelde geneeskundige verklaring volstaat.

1.Feiten en procesverloop

1.1
Bij verzoekschrift van 12 september 2018 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Den Haag verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen ten aanzien van betrokkene. Betrokkene verbleef toen in de inrichting voor verstandelijk gehandicapten
Ipse De Bruggente Zwammerdam krachtens een voorlopige machtiging van 26 maart 2018, waarvan de geldigheidsduur verstreek op 26 september 2018. Bij het verzoekschrift was een verklaring gevoegd, op 3 september 2018 ondertekend door de geneesheer-directeur van de locatie
Ipse de Bruggente Zwammerdam, zijnde de arts voor verstandelijk gehandicapten G.N.J. van Erp, die betrokkene daartoe heeft onderzocht. In rubriek 3.c van deze verklaring is als diagnose gesteld “lichte verstandelijke beperking/zwakbegaafdheid met een zeer lage sociaal-emotionele ontwikkeling (max. 3 jaar) en impulsiviteit plus bijkomende trekken van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Deze laatste is voor het gevaar in de zin der Wet Bopz niet relevant.” Als diagnoses zijn vervolgens aangekruist: “stoornissen tot uiting komend in kindertijd/adolescentie”, “persoonlijkheidsstoornissen” en “verstandelijke handicap.” Daarbij is “verstandelijke handicap” als belangrijkste diagnose aangekruist.
1.2
Op 27 september 2018 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Zij heeft blijkens het proces-verbaal gehoord: betrokkene, haar advocaat, de behandelend arts voor verstandelijk gehandicapten [betrokkene 1] en de GZ-psycholoog [betrokkene 2] . Voorts waren aanwezig een verpleegkundige en een stagiaire. Ter zitting heeft de rechtbank de instelling in de gelegenheid gesteld om binnen een week alsnog de wettelijke aantekeningen als bedoeld in art. 37a Wet Bopz over te leggen. Op 4 oktober 2018 heeft de instelling een stuk getiteld “aanvulling verzoek art. 16 d.d. 12-09-18” ingediend, inhoudende het voortgangsverslag in de periode van 6 juni 2018 tot 26 september 2018. De advocaat van betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd bij faxbericht van 9 oktober 2018.
1.3
Bij beschikking van 12 oktober 2018 heeft de rechtbank een machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis tot en met 26 september 2019. De rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen:
“(…) Ten tweede heeft de advocaat afwijzing van het verzoek bepleit en daartoe aangevoerd dat de geneeskundige verklaring niet is opgesteld door een onafhankelijke psychiater maar door een Arts voor Verstandelijk Gehandicapten.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de verklaring van de arts ter zitting blijkt immers dat de hoofddiagnose de verstandelijke beperking is, zoals ook beschreven in de geneeskundige verklaring, en dat het gevaar daaruit voortvloeit. Zo ontstaat het gevaar door het gebrek aan zelfinzicht, ziekteinzicht en het impulsieve gedrag, hetgeen is ingegeven door de verstandelijke beperking. De stoornis die het gevaar veroorzaakt betreft derhalve de bevoegdheid van de arts.
Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van het verzoek overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat de verzochte machtiging slechts kan worden verleend indien de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en deze stoornis de betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken, en het gevaar niet door tussenkomst van personen en instellingen buiten de inrichting kan worden afgewend.
De rechtbank is van oordeel dat bij de betrokkene ook na afloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz aanwezig zal zijn.
De rechtbank is voorts van oordeel dat het hiervoor genoemde gevaar zich voordoet. De betrokkene levert door haar ziekte een gevaar op voor zichzelf. Betrokkene heeft door haar verstandelijke beperking een gebrek aan zelfinzicht en ziekteinzicht en betrokkene is impulsief. Dit zorgt voor gevaar, in de vorm van risicovolle situaties waarin misbruik van betrokkene wordt gemaakt.
De rechtbank is ten slotte van oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een instelling voor geestelijk gehandicapten kan worden afgewend. (…)”
1.4
Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld [1] . In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Onder verwijzing naar HR 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2226, NJ 2017/338 en HR 2 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2044 klaagt het middel in de kern dat, gelet op de bij betrokkene aanwezige psychiatrische problematiek, in deze zaak niet kon worden volstaan met een geneeskundige verklaring van een arts voor verstandelijk gehandicapten, maar dat voor die verklaring ook een psychiater had moeten worden ingeschakeld. Het middel koppelt aan de rechtsklacht een motiveringsklacht, inhoudende dat het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de geneeskundige verklaring niet voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Deze klacht wordt evenwel in het cassatierekest niet nader uitgewerkt. Ik beperk me bij de beoordeling daarom tot de rechtsklacht. Bij de bespreking daarvan stel ik het volgende voorop.
2.2
De in 2.1 genoemde beschikking van 1 september 2017 had betrekking op een geval waarin het onderzoek ten behoeve van de geneeskundige verklaring was verricht door een arts voor verstandelijk gehandicapten. De verklaring vermeldde toen als diagnose: “schizofrenie en verstandelijke handicap”. Na wijziging van de geneeskundige verklaring was alsnog de verstandelijke beperking aangekruist als belangrijkste diagnose. De rechtbank had in die zaak het verzoek tot verlening van een voortgezette machtiging afgewezen omdat de betrokkene voor het psychiatrische deel van zijn problematiek had moeten worden onderzocht door een psychiater en niet alleen door een arts voor verstandelijk gehandicapten. De Hoge Raad overwoog naar aanleiding van het door de officier van justitie tegen dit oordeel gerichte cassatiemiddel als volgt:
“3.4.2 Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld.
Voor het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis diende vóór de invoeging op 15 februari 2014 van art. 1 lid 6 Wet Pro Bopz de betrokkene steeds te zijn onderzocht door een psychiater. Zie art. 16 lid 2 Wet Pro Bopz in verbinding met art. 5 lid Pro 1, tweede volzin, Wet Bopz, alsmede HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2028, NJ 2012/420 en HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:270, NJ 2014/103. Uit de zojuist genoemde beschikkingen volgt dat het aan de wetgever is hierop een uitzondering te maken, gelet op het grondrecht dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet voorzien.
Met art. 1 lid 6 Wet Pro Bopz heeft de wetgever - voor zover hier van belang - een arts verstandelijk gehandicapten gelijkgesteld met een psychiater “voor zover het de opname of het verblijf van een verstandelijk gehandicapte betreft”. Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat met deze bepaling is beoogd de arts verstandelijk gehandicapten bevoegd te maken “op zijn eigen deskundigheidsterrein een medisch oordeel [te] vellen over de (gedwongen) opname” (Kamerstukken II 2012-2013, 33 507, nr. 6, p. 14).
3.4.3
In het onderhavige geval is sprake van een geneeskundige verklaring waarin een gecombineerde diagnose is gegeven, bestaande in schizofrenie en een verstandelijke beperking. Uit hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen, volgt dat aan art. 1 lid 6 Wet Pro Bopz niet de strekking kan worden toegekend dat voor een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis kan worden volstaan met een verklaring van een arts verstandelijk gehandicapten indien de diagnose niet is beperkt tot het ‘eigen deskundigheidsterrein’ van die arts, maar tevens het deskundigheidsterrein van de psychiater bestrijkt. In een zodanig geval is mede een verklaring van een psychiater vereist.
3.4.4
De rechtbank heeft - in cassatie onbestreden - overwogen dat eerdere rechterlijke machtigingen waren verleend om het door betrokkene veroorzaakte gevaar voortvloeiend uit de gediagnosticeerde psychiatrische stoornis weg te nemen, en dat die machtigingen nodig waren om dwangmedicatie mogelijk te maken. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat ook thans de machtiging is verzocht om zo nodig dwangbehandeling met een antipsychoticum mogelijk te maken. Daarmee heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat het verzoek tot voortgezet verblijf mede berust op (gevaar verband houdende met) de psychiatrische stoornis van betrokkene. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 is overwogen heeft de rechtbank geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met haar aldus gemotiveerde oordeel dat niet kon worden volstaan met de verklaring van een arts verstandelijk gehandicapten. Ook is dat oordeel niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. In het licht van het bovenstaande wordt dit niet anders door de omstandigheid dat de gewijzigde verklaring vermeldde dat de verstandelijke handicap inmiddels de bovenliggende stoornis was.”
2.3
In de zaak die heeft geleid tot de in 2.1 genoemde beschikking van 2 november 2018 had de officier van justitie de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een inrichting voor verstandelijk gehandicapten. [2] In de geneeskundige verklaring van de arts voor verstandelijk gehandicapten die betrokkene had onderzocht was als diagnose gesteld: “lichte tot matige verstandelijke beperking en laag sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau (3 jaar), schizofrenie met paranoïdie en een gedragsstoornis met impulsdoorbraken”. Als belangrijkste diagnose was ‘verstandelijke handicap’ aangekruist. De rechtbank verwierp het betoog van de advocaat van de betrokkene dat de geneeskundige verklaring had moeten worden opgesteld door een psychiater en verleende de verzochte machtiging. De rechtbank oordeelde dat kon worden volstaan met een onderzoek door een arts voor verstandelijk gehandicapten omdat de verstandelijke beperking van betrokkene “op de voorgrond staat”. Het cassatiemiddel kwam met succes tegen dit oordeel op. De Hoge Raad overwoog:
“3.3.2 In zijn beschikking van 1 september 2017 (…) heeft de Hoge Raad in een geval waarin in de geneeskundige verklaring een gecombineerde diagnose was gesteld - in die zaak bestaande in schizofrenie en een verstandelijke beperking - onder meer overwogen “dat aan art. 1 lid 6 Wet Pro Bopz niet de strekking kan worden toegekend dat voor een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis kan worden volstaan met een verklaring van een arts verstandelijk gehandicapten indien de diagnose niet is beperkt tot het ‘eigen deskundigheidsterrein’ van die arts, maar tevens het deskundigheidsterrein van een psychiater bestrijkt. In een zodanig geval is mede een verklaring van een psychiater vereist.” (rov. 3.4.3)
3.3.3
In het onderhavige geval luidt de diagnose “lichte tot matige verstandelijke beperking en laag sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau (3 jaar). Schizofrenie met paranoïdie en een gedragsstoornis met impulsdoorbraken”. De rechtbank heeft geoordeeld dat kon worden volstaan met een onderzoek door een arts voor verstandelijk gehandicapten omdat de verstandelijke beperking van betrokkene op de voorgrond staat. Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 1 september 2017, zoals hiervoor in 3.3.2 weergegeven, geoordeeld, kort gezegd, dat in geval van een gecombineerde diagnose niet kan worden volstaan met een verklaring van een arts voor verstandelijk gehandicapten, maar dat mede een verklaring van een psychiater vereist is. Uit die beschikking kan niet worden afgeleid dat dit anders is wanneer de verstandelijke beperking “op de voorgrond staat”. De klacht is dus terecht voorgesteld.
3.3.4
Het hiervoor overwogene brengt mee dat een arts voor verstandelijk gehandicapten die constateert dat bij de te onderzoeken patiënt niet alleen sprake is van een verstandelijke handicap maar ook van psychiatrische problematiek, een psychiater dient in te schakelen zodat deze de patiënt eveneens onderzoekt. De arts voor verstandelijk gehandicapten kan ook het onderzoek geheel aan de psychiater overdragen. In een geval als het onderhavige kan immers worden volstaan met een verklaring van een psychiater (zie HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:682).”
2.4
De conclusie is derhalve dat een arts voor verstandelijk gehandicapten die constateert dat bij de te onderzoeken patiënt niet alleen sprake is van een verstandelijke handicap maar ook van psychiatrische problematiek, een psychiater dient in te schakelen zodat deze de patiënt eveneens onderzoekt. Hij kan het onderzoek ook geheel aan de psychiater overdragen.
2.5
In de onderhavige zaak heeft de arts voor verstandelijk gehandicapten Van Erp de volgende diagnose gesteld (rubriek 3.c van de geneeskundige verklaring van 31 augustus 2018): “lichte verstandelijke beperking/zwakbegaafdheid met een zeer lage sociaal-emotionele ontwikkeling (max. 3 jaar) en impulsiviteit plus bijkomende trekken van een borderline persoonlijkheidsstoornis”. Hij heeft vervolgens als diagnoses aangekruist: ‘stoornissen tot uiting komend in kindertijd/adolescentie’, ‘persoonlijkheidsstoornissen’ en ‘verstandelijke handicap’. Daarbij is ‘verstandelijke handicap’ als belangrijkste diagnose aangekruist. Als gevaren heeft Van Erp in rubriek 4.b van de geneeskundige verklaring aangekruist ‘gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat’ en ‘gevaar dat betrokkene zichzelf ernstig zal verwaarlozen’. In rubriek 4.a heeft hij het gevaar specifiek omschreven als “Seksuele contacten zoeken met onbekende mannen” en “Slecht voor zichzelf zorgen: niet eten, vervuilen, zwerven en verstoord nacht-dagritme”. In rubriek 4.d heeft Van Erp het volgende antwoord gegeven op de vraag waarom hij oordeelt dat het gevaar, als gevolg van de stoornis van de geestvermogens van betrokkene, ook na beëindiging van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn:
“Het is gebleken dat de gedegen opbouw van vrijheden en verantwoordelijkheden nog niet heeft geleid tot het zich eigen maken ervan en er verantwoord mee omgaan. Leerbaarheid blijkt zeer gering. Zodra betrokkene kans ziet gaat ze ervandoor en brengt zichzelf onmiddellijk in risicovolle situaties in de sfeer van prostitutie en mensenhandel. Sinds opname is ze 2 maal niet terug gekeerd van verlof. De eerste keer is ze 3 weken weg geweest, de laatste keer 1 week waarbij ze kontakt heeft gehad met mannen van wie de politie vermoedt dat zij zich bewegen in het circuit van mensenhandel.”
2.6
In de geneeskundige verklaring schrijft Van Erp aan het slot van rubriek 3.c dat de door hem bij betrokkene geconstateerde ‘borderline persoonlijkheidsstoornis’ voor het gevaar in de zin van de Wet Bopz “niet relevant” is. De vraag rijst of dit oordeel kan leiden tot de conclusie dat in de onderhavige zaak (wel) kon worden volstaan met de geneeskundige verklaring van een arts voor verstandelijk gehandicapten. Naar mijn mening is dat niet het geval. In dat verband zij er op gewezen dat de hiervoor weergegeven recente beschikking van 2 november 2018 helder is. In de zaak die heeft geleid tot die beschikking was eveneens sprake van een situatie waarin de verstandelijke beperking van de betrokkene “op de voorgrond” stond. In zijn Conclusie vóór de beschikking schrijft plv. P-G Langemeijer dat dit laatste volgens de rechtbank onder meer blijkt uit de geneeskundige verklaring waarin de verstandelijke handicap als belangrijkste diagnose is vermeld en in rubriek 4 daarvan het gevaar is omschreven dat betrokkene zou veroorzaken “als gevolg van de verstandelijke beperking en het daarmee geringe ziekte-inzicht en -besef”. [3] Uit dit laatste zou kunnen worden afgeleid dat de rechtbank van oordeel was dat het aanwezig zijn van verband tussen de verstandelijke beperking en het aanwezig geoordeelde gevaar volstond. Uw Raad heeft daarover niets overwogen, doch heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en in algemene zin geoordeeld dat een arts voor verstandelijk gehandicapten die constateert dat bij de te onderzoeken patiënt niet alleen sprake is van een verstandelijke handicap maar ook van psychiatrische problematiek, een psychiater dient in te schakelen zodat deze de patiënt eveneens onderzoekt. [4] In zijn Conclusie schrijft Langemeijer in punt 2.4 dat het erom gaat welke stoornis aan het verzoek ten grondslag is gelegd en dat, indien het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een rechterlijke machtiging geheel
of medeberust op een stoornis van de geestvermogens die buiten het deskundigheidsterrein van een arts voor verstandelijk gehandicapten valt, ook onderzoek door een psychiater vereist is. Ik sluit bij dat standpunt aan. Het behoort tot het terrein van een psychiater om na onderzoek van een patiënt een oordeel te geven over de vraag of bij een patiënt sprake is van (een) psychiatrische stoornis(sen), en, zo ja, welke. Ook is het aan een psychiater om vervolgens een oordeel te geven over de vraag of uit de stoornis(sen) gevaar voortvloeit en, zo ja, welk, en of de stoornis kan worden behandeld en, zo ja, op welke wijze (medicijnen, therapie e.d.). Kortom: indien aan het verzoek mede een psychiatrische stoornis ten grondslag is gelegd, dan dient een psychiater te worden ingeschakeld om de patiënt in kwestie te onderzoeken. Dat is in deze zaak niet gebeurd.
2.7
Ik merk nog het volgende op. In de na de zitting overgelegde voortgangsrapportage van 1 oktober 2018 wordt bovenaan op blz. 1 vermeld: “aanvulling verzoek art. 16 d.d. 12-09-18”. Op blz. 3 van de rapportage staat het volgende onder het kopje “Psychodiagnostisch onderzoek:
“- Licht verstandelijke beperking
- Gedragsproblemen; Aandachtsdeficiëntie- /hyperactiviteitsstoornis gecombineerd type.
- Borderline-persoonlijkheidsstoornis.
Ongespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis (…)”
2.8
Nu de voortgangsrapportage klaarblijkelijk diende als een
aanvullingop het verzoek van de officier van justitie van 12 september 2018 had mijns inziens ook acht moeten worden geslagen op de daarin genoemde psychiatrische stoornissen die niet eerder met zoveel woorden waren genoemd. Dit gaf temeer aanleiding om tot het oordeel te komen dat ook een psychiater betrokkene had moeten onderzoeken.
2.9
In het licht van het bovenstaande slaagt de rechtsklacht van het middel.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 12 oktober 2018 en tot terugwijzing ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Een fax-kopie van het verzoekschrift is op 2 november 2018 ter griffie ingekomen, op 7 november 2018 gevolgd door het door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende origineel.
2.Het betrof dezelfde instelling als waar betrokkene thans is opgenomen:
3.Conclusie van plv. P-G Langemeijer vóór de beschikking van 2 november 2018 ECLI:NL:PHR:2018:1227, onder 2.3.
4.Dan wel het onderzoek geheel aan een psychiater overdragen.