Conclusie
de besloten vennootschap Trimoteur Holding B.V. (...) cq. de besloten vennootschap Pharma Bio Research Group B.V.”, laatstgenoemden als “koper”. Deze overeenkomst (hierna: de activa-overeenkomst) bepaalt dat alle activa van de failliete vennootschappen worden overgedragen aan koper tegen betaling van een bedrag van circa NLG 7,5 miljoen aan de curator voor de immateriële activa en van een bedrag van NLG 9.832451,79 aan ABN AMRO voor bepaalde roerende zaken en vorderingen op debiteuren. Het aan ABN AMRO betaalde bedrag is daarbij gelijk aan haar uitstaande vordering op grond van het verleende krediet. Overeengekomen is voorts dat zowel ABN AMRO als koper aan de curator een boedelbijdrage van NLG 250.000,- betaalt. Daarnaast bevat de activa- overeenkomst een kwijtingsbepaling.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt over miskenning van de devolutieve werking van het appel. De onderdelen 2 t/m 6 zien op de kredietopzegging, waarbij het middel rov. 3.3.4 centraal stelt. [3]
subonderdelen 2.1 t/m 2.4richten motiveringsklachten tegen het oordeel in rov. 3.3.4 dat [betrokkene 1] en [eiseres 1] in strijd met de afspraken handelden.
subonderdelen 2.5.1 (eerste klacht) t/m 2.5.4miskent het hof dat de beoordeling of de kredietopzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is rekening moet houden met alle omstandigheden van het geval, althans is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
subonderdelen 2.5.1 (tweede klacht) en 2.6 t/m 2.9miskent het hof dat bij de beoordeling of de kredietopzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de bijzondere zorgplicht van de bank doorwerkt, (in het bijzonder in die zin) dat een belangenafweging dient plaats te vinden en dat getoetst moet worden aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, althans is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
Subonderdeel 1.1veronderstelt dat het hof bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de opzegging van het krediet alleen acht heeft geslagen op de in hoger beroep aangevoerde stellingen van [eiseres] c.s., maar niet op diens stellingen in de eerste aanleg op dit punt. Het onderdeel betoogt dat als het hof grieven 7 en 8 wel zou hebben beoordeeld, en gegrond zou hebben geoordeeld, de (positieve zijde van de) devolutieve werking van het appel zou hebben meegebracht dat het hof ook de stellingen in eerste aanleg van [eiseres] c.s. over de opzegging in zijn oordeel zou hebben betrokken.
subonderdeel 1.2) of dat eerste aanlegstellingen niet zijn gehandhaafd dan wel zijn prijsgegeven (
subonderdeel 1.3) en geeft nog aan dat de klachten de rov. 3.3.3 t/m 3.3.8 aantasten (
subonderdeel 1.4).
subonderdelen 1.2 t/m 1.4falen in het voetspoor van subonderdeel 1.1.
subonderdeel 2.1.1) respectievelijk (b) dat (de adviseurs van) [betrokkene 1] en [eiseres 1] zelf ook ervan uitgingen dat hun ontslag en de benoeming van [betrokkene 2] in vennootschapsrechtelijke zin nog moest volgen (
subonderdeel 2.1.3). Het onder (a) bedoelde oordeel is ook onbegrijpelijk in het licht van de tekst van de brief van 26 april 1999 (
subonderdeel 2.1.2).
Subonderdeel 2.1.4bevat een louter voortbouwende klacht.
subonderdelen 2.1 en 2.1.1 t/m 2.1.4dienen naar mijn mening te falen. Uit rov. 3.3.4, derde alinea, blijkt dat het hof onderkent dat er na 26 april 1999 in zoverre overeenkomstig de afspraken is gehandeld, dat het terugtreden van [betrokkene 1] en [eiseres 1] en de interim-benoeming van [betrokkene 2] aan derden is bekendgemaakt. Zie ik het goed, dan wijst het hof hiermee op de zijns inziens meest sprekende stelling die [eiseres] c.s. ter ondersteuning van haar betoog heeft aangevoerd. Het hof constateert echter ook dat er aandeelhoudersbesluiten waren opgemaakt die uiteindelijk niet door [betrokkene 1] en [eiseres 1] zijn getekend. Het hof gaat er dus vanuit dat met de brief van 24 april is beoogd dat partijen al in de praktijk uitvoering zouden gaan geven aan de afspraken in die brief, maar dat deze afspraken nog wel in vennootschappelijke zin hun beslag zouden moeten krijgen in de vorm van aandeelhoudersbesluiten waarbij de zittende bestuurders werden ontslagen en een nieuwe bestuurder werd benoemd. [6] Deze oordelen zijn niet onbegrijpelijk en behoefden geen nadere motivering.
subonderdeel 2.2.1) en (b) gezien de stellingen van [eiseres] c.s. over de gang van zaken rondom het niet doorgaan van de ondertekening van de aandeelhoudersbesluiten in de namiddag van vrijdag 7 mei 1999 en de vervolgafspraak die toen is gemaakt voor maandag 10 mei 1999 bij de notaris (
subonderdelen 2.2.2 en 2.2.3).
subonderdelen 2.2.2 onder e en 2.2.3) suggereert dat het uitstel van het ondertekenen van (ook) de besluiten die op 7 mei al wel konden worden getekend, geschiedde op initiatief van de notaris. Dit volgt naar mijn mening niet noodzakelijk uit stellingen in feitelijke instantie waarnaar in het middel wordt verwezen. [7] De vindplaatsen waarnaar wordt verwezen maken niet duidelijk wat er precies is voorgevallen tijdens de bijeenkomst bij de notaris op 7 mei 1999.
subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2bedoelde stellingen. Anders dan
subonderdeel 2.2.3nog betoogt, behoefde het hof niet nader in te gaan op de stelling dat op 7 mei een statutenwijziging (om de instelling van een RvC mogelijk te maken) nog niet gereed was en dat een vervolgafspraak was gemaakt voor 10 mei. Dit ontsloeg [betrokkene 1] en [eiseres 1] niet van hun verplichting om onmiddellijk als bestuurder van de kredietnemers terug te treden.
subonderdeel 2.3dat onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd waarom de overweging dat [betrokkene 1] en [eiseres 1] ook na 7 mei 1999 de aandeelhoudersbesluiten niet hebben ondertekend, zou kunnen bijdragen aan het oordeel van het hof dat de kredietopzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. De opzegging moet beoordeeld worden naar het moment van de opzegging van het krediet en na de opzegging was ondertekening zinloos, zoals [eiseres] c.s. heeft gesteld.
subonderdelen 2.4.1-2.4.2bevatten (motiverings)klachten die voortbouwen op de subonderdelen 2.1 t/m 2.3 en het lot daarvan delen.
ubonderdelen 2.5.1 (eerste klacht) t/m 2.5.4 (alle omstandigheden van het geval)
subonderdeel 2.5.1faalt, omdat uit rov. 3.3.1 t/m 3.3.8 niet blijkt dat het hof heeft miskend dat het met inachtneming van alle omstandigheden van het geval moet beoordelen of (het beroep op de bepaling inzake) de kredietopzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof overweegt immers dat “onder andere” de redenen voor de opzegging van belang zijn (rov. 3.3.2) en bespreekt naast deze redenen (rov. 3.3.3-3.3.6) diverse door [eiseres] c.s. aangevoerde omstandigheden van het geval (rov. 3.3.7). Uit deze overwegingen blijkt dat het hof alle omstandigheden ook in samenhang heeft beschouwd (rov. 3.3.7, slotzin).
subonderdeel 2.5.2onder a t/m h genoemde omstandigheden, aldus ook
subonderdeel 2.5.3. Daaraan doet niet af wat het hof in rov. 3.3.7 overweegt, aldus
subonderdeel 2.5.4.
subonderdeel 2.5.1 (tweede klacht)miskent het hof dat bij de beoordeling of (het beroep op de bepaling inzake) de kredietopzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was de bijzondere zorgplicht van de bank doorwerkt, in het bijzonder in die zin dat een belangenafweging dient plaats te vinden en dat getoetst moet worden aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Hierop wijzen ook
subonderdelen 2.5.4 sub b en 2.5.2 sub g. Deze klacht wordt in de subonderdelen 2.6 t/m 2.9 uitgewerkt.
subonderdeel 2.6heeft het hof nagelaten te toetsen of de kredietopzegging zorgvuldig is gebeurd, althans zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
Subonderdeel 2.7voert daartoe aan dat het hof daarbij had dienen in te gaan op de in subonderdeel 2.5.2 onder a t/m h genoemde omstandigheden. Daaraan doet niet af wat het hof in rov. 3.3.7 overweegt, aldus
subonderdeel 2.8. Volgens
subonderdeel 2.9heeft het hof de in subonderdeel 2.5.2 onder a t/m h genoemde omstandigheden niet beoordeeld in het kader van de bijzondere zorgplicht van de bank.
Goglio/SMQ) de rechtspraak over opzegging van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd als volgt samenvatte:
ING/ [...]zag dus op een situatie als bedoeld in rov. 3.6.4 van het arrest
Goglio/SMQ.
ING/ [...].
Alcatel Lucent [13] niet dat in het algemeen geldt dat naast de toets volgens
ING/ [...]nog een andere toets moet worden uitgevoerd. Voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid is, kort gezegd, plaats indien een kredietovereenkomst ter zake van de opzegging een leemte bevat (de situatie als bedoeld in rov. 3.6.3 van het arrest
Goglio/SMQ).
ING/ [...]impliceert de mogelijkheid van een belangenafweging en dat rekening wordt gehouden met de in art. 2 ABV Pro bedoelde zorgplicht van de Bank. Blijkens rov. 3.3.1 en 3.3.7 heeft het hof een en ander onderkend. Voor zover de
subonderdelen 2.5.1, 2.5.4 onder b en 2.6van het tegendeel uitgaan, falen zij bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdelen 2.7 (2.7.1 t/m 2.7.6) en 2.8klagen over de motivering van het oordeel van het hof in het licht van de in de subonderdelen 2.5.2 en 2.5.4 bedoelde stellingen, falen zij om de eerder gegeven redenen.
Rabobank/Aarding [14] uit 2003 kadert de opzegging van een kredietrelatie door de bank in de bijzondere zorgplicht van een bank uit hoofde van diens maatschappelijke functie, wat volgens het hof Arnhem impliceert dat de opzegging ten minste zal moeten voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. [15] In de kern genomen, vallen de
subonderdelen 2.5.1, 2.5.2 onder g en 2.9terug op die benadering (vgl. [eiseres] c.s. s.t. nrs. 6.12-6.14).
ING/ [...]en lijkt de door art. 6:248 lid 2 BW Pro bedoelde terughoudendheid in dit type gevallen te miskennen. [16]
ING/ [...]kan rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, dus ook of de opzegging als ‘disproportioneel’ zou moeten worden aangemerkt en of de bank andere mogelijkheden dan opzegging ten dienste hebben gestaan. Anders dan de
subonderdelen 2.5.1 en 2.5.2 onder gveronderstellen, heeft het hof hiermee rekening gehouden door in rov. 3.3.7 in te gaan op de stellingen dat het PBRI-concern grote potentie had, dat de Bank voldoende zekerheden had en dat de Bank coulance had moeten betrachten. De vraag hoe zwaar dergelijke omstandigheden dienen te wegen laat zich niet in abstracto beantwoorden. [17]
ING/ [...]weegt mee, dat de Bank op grond van – het hof overweegt in rov. 3.3.1 “onder andere” − haar algemene voorwaarden de nodige zorgvuldigheid in acht dient te nemen en dat zij daarbij naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening dient te houden. Het hof heeft, zo blijkt uit rov. 3.3.7, slotzin, zijn oordeel mede geplaatst in het licht van laatstgenoemde verplichting.
subonderdelen 2.5.1, 2.5.2 onder g en 2.9aanvoeren, behoefde het hof zijn oordeel niet (uitdrukkelijk) te plaatsen in de sleutel van de uit de maatschappelijke functie van een bank voortvloeiende bijzondere zorgplicht
.Het middel maakt voorts niet duidelijk waarom het hof tevens aan de bijzondere zorgplicht van de Bank had dienen te toetsen, nu het deze zorgplicht positioneert als een alternatieve grondslag, naast art. 2 ABV Pro, voor de toets aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (zie de s.t. nrs. 6.12-6.14 en 7.10).
subonderdelen 3.1.1 en 3.1.2herhalen de klachten van de subonderdelen 2.5.1 t/m 2.5.4 en falen om de eerder aangegeven redenen.
subonderdeel 3.1.3is rov. 3.3.3 ontoereikend gemotiveerd, omdat het niet ingaat op het betoog dat de financiële situatie niet zo penibel was aangezien de Bank bij brief van 4 mei 1999 een opdrachtgever van de kredietnemers heeft bericht dat – geparafraseerd – op basis van de toen beschikbare gegevens er op dat moment geen aanleiding was om het krediet op te zeggen. Volgens de klacht valt, zonder nadere motivering, niet in te zien waarom drie dagen later de situatie zo penibel was dat opzegging niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.
subonderdeel 3.1.4aanvoert, behoefde het hof niet nader in te gaan op het betoog in de CvR § 5.6 dat het geprognotiseerde liquiditeitstekort van NLG 2,1 miljoen eind mei, begin juni 1999 niet juist is. Het hof heeft als relevant gegeven in rov. 3.3.3 immers genoemd dat [betrokkene 2] op basis van dit geprognotiseerde liquiditeitstekort de Bank verzocht om een verhoging van het krediet met NLG 2,5 miljoen. Het middel geeft niet aan dat (en waarom) de Bank op dat moment het door [betrokkene 2] genoemde tekort had moeten betwijfelen. [19]
subonderdelen 4.1.1 en 4.1.2herhalen de klachten van de subonderdelen 2.5.1 t/m 2.5.4 en falen om de eerder aangegeven redenen.
subonderdelen 5.1.1 en 5.1.2herhalen de klachten van de subonderdelen 2.5.1 t/m 2.5.4 en falen om de eerder aangegeven redenen.
Subonderdeel 5.1bevat een louter op de onderdelen 1 t/m 4 voortbouwende klacht en moet daarom ook falen
Subonderdeel 6.1.1herhaalt in de kern de beide klachten van subonderdeel 2.5.1 en faalt om de bij 3.12 en 3.17 e.v. gegeven redenen.
subonderdelen 7.1 t/m 7.3bevatten een louter op de onderdelen 1 t/m 6 voortbouwende klachten en moet daarom ook falen.