Conclusie
1.Feiten
[A]) en wordt in de gedingsstukken onder die oude naam aangeduid. Bestuurder van [A] is [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]).
Imogène) heeft een commanditaire vennootschap (hierna:
de cv) bestaan. [A] was stille vennoot. Imogène was sinds 1 januari 1994 de enige beherend vennoot. Bestuurder en enig aandeelhouder van Imogène was Nexio B.V. (hierna:
Nexio). Bestuurder en enig aandeelhouder van Nexio was [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]). Nexio was daarnaast enig aandeelhouder en bestuurder van Asable B.V. (hierna:
Asable).
het vennootschapscontract) is in art. 10 een Pro regeling opgenomen over het einde van de cv. Op grond van art. 10 lid 1 onder Pro a eindigt de cv ingeval van faillissement van een vennoot. In art. 10 lid 2 is Pro bepaald dat een vennoot aan wie het einde van de cv niet kan worden toegerekend, het recht heeft de cv voort te zetten en de handelsnaam Imogène te voeren.
ING) heeft krediet verstrekt aan de cv. [A] heeft zich bij borgakte van 16 november 1999 ten behoeve van ING borg gesteld voor de schulden van de cv voor f 450.000,-.
de curator).
Imogène International). Bestuurder en aandeelhouder van de koper is [betrokkene 2] .
Woudsend), heeft het gerechtshof Leeuwarden beslist dat Woudsend ter zake van de brandschade aan Imogène International een bedrag van in totaal € 709.930,- diende te vergoeden. Van dat bruto-bedrag moest nog vennootschapsbelasting af.
2.Procesverloop
tussenvonnis van 21 juli 2004 [11] heeft rechtbank Arnhem (hierna:
de rechtbank) in conventie geoordeeld dat conform de ‘Erik Schaaper-leer’ de beherend vennoot (Imogène B.V.) en niet de cv zelf failliet is verklaard, dat de curator overeenkomstig de bestaande praktijk heeft aangenomen dat de onderneming toebehoorde aan Imogène B.V., en dit vermogen heeft beheerd en vereffend. In dit opzicht heeft de curator niet jegens [A] onrechtmatig gehandeld (rov. 4.4 en 4.5).
tussenvonnis van 12 januari 2005op verzoek van de curator tussentijds hoger beroep toegestaan en iedere verdere beslissing aangehouden.
arrest van 6 februari 2007 [14] heeft het gerechtshof Arnhem in het principaal appel de vonnissen vernietigd, voor zover daarbij is geoordeeld dat de curator gehouden is het in art. 10 van Pro het vennootschapscontract verankerde voortzettingsrecht te respecteren, en de beide vonnissen voor het overige bekrachtigd.
tussenvonnis van 3 oktober 2007 [16] overwoog de rechtbank dat niet wordt toegekomen aan schadevaststelling in het kader van het door [A] gemaakte verwijt dat de curator de onderneming voor een te laag bedrag heeft verkocht, omdat ter zake daarvan geen vergoeding van mogelijke schade is gevorderd (rov. 2.9). Aan de vordering van [A] ligt een vergelijking ten grondslag tussen de bestaande situatie waarin de onderneming is overgedragen aan [B] B.V. en de hypothetische situatie waarin de onderneming aan haar was overgedragen en dat, naar zij stelt, haar vordering geheel was afgebouwd (rov. 2.8).
de curator. [18]
tussenvonnis van 28 mei 2008heeft de rechtbank in conventie de heer E.H.B. Schrijver RA tot deskundige benoemd en deze verzocht onder meer de vraag te beantwoorden in hoeverre bij een overname van de cv door [A] tegen betaling van een koopprijs van € 450.000,- op of omstreeks 22 mei 2002, naar redelijke verwachting uit die onderneming de vordering van [A] van € 1.169.886,-, vermeerderd met rente vanaf 1 januari 2001, kon worden voldaan, waarbij rekening moet worden gehouden met een overnamesom van € 450.000,- (rov. 3.1.1).
tussenvonnis van 18 maart 2009heeft de rechtbank in conventie beslist op het verzoek van de deskundige om een aanvullend voorschot.
tussenvonnis van 19 mei 2010 [19] oordeelde de rechtbank dat de curator niet in het hem opgedragen bewijs was geslaagd (rov. 2.3). Daarom kon niet worden uitgesloten dat [A] een kans had gehad op aankoop en voortzetting van de onderneming, welke kans haar door het onrechtmatig handelen van de curator is ontnomen. Volgens de rechtbank is daarmee het causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de kans op schade gegeven en heeft [A] dan ook recht op vergoeding van het verlies van een kans om de uiteindelijke schade te vermijden (rov. 2.14).
eindvonnis van 9 maart 2011 [21] heeft de rechtbank de vorderingen van [A] gedeeltelijk toegewezen. Ondanks de eerder geuite twijfels over de door de deskundige gehanteerde uitgangspunten (zie hiervoor 2.12.2) overwoog de rechtbank dat er geen reden was de conclusies van de deskundige niet te volgen:
[A]bij het gerechtshof Arnhem, nadien het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna:
het hof), hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van 3 oktober 2007, 28 mei 2008, 19 maart 2009, 19 mei 2010 en 9 maart 2011. Zij heeft haar eis tweemaal gewijzigd. De curator heeft incidenteel appel ingesteld. In appel gaat het uitsluitend om de beslissingen in conventie. [24]
tussenarrest van 23 september 2014oordeelde het hof dat de eiswijzigingen – die mede verband hielden met de vergoeding van brandschade – toelaatbaar zijn.
tussenarrest van 28 juli 2015heeft het hof een nader onderzoek door een deskundige bevolen met betrekking tot in de kern de vraag in hoeverre bij een overname door [A] van de onderneming op of omstreeks 22 mei 2002, naar redelijke verwachting uit die onderneming de vordering van [A] van € 1.169.886,-, vermeerderd met de contractuele rente vanaf 1 januari 2001, kon worden voldaan. Daarbij diende de deskundige de zojuist genoemde gezichtspunten te betrekken (rov. 2.6). Als deskundige werd benoemd mr. drs. B.M. Prins RA, verbonden aan PWC.
de opdracht op ondeugdelijke gronden heeft teruggegeven”. De curator heeft op zijn beurt bij antwoord-memorie na deskundigenbericht op de stellingen van [A] gereageerd. Daarin komt de curator tot de volgende slotsom:
eindarrest van 24 oktober 2017heeft het hof, rechtdoende in het principaal en incidenteel hoger beroep, de vonnissen van de rechtbank van 3 oktober 2007, 28 mei 2008, 19 mei 2010 en 9 maart 2011 vernietigd voor zover in conventie gewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende de vorderingen van [A] alsnog
integraal afgewezen. Het hof heeft de door [A] aangevoerde bezwaren tegen het deskundigenbericht verworpen (rov. 2.2-2.9).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
it painted itself into the corner.
sine qua non) verband tussen onrechtmatig handelen en schade veronderstelt dat het bestaan van schade, althans van de kans op schade, kan worden aangetoond. Indien dat niet mogelijk is – zoals het hof hier heeft vastgesteld – dan is de uitkomst dezelfde als wanneer het verlies van een kans wordt gezien als een probleem van causaal verband, waarbij een ‘alles of niets’-resultaat in de rede ligt. [35]
condicio sine qua non-verband vaststaan tussen de fout en het kansverlies en (ii) de kans die verloren is gegaan een reële kans zijn. Daartoe verwijs ik naar het arrest
Deloitte/ […]: [39]
kans opcashflow, niet om vergoeding van de gemiste cashflow zelf. Uiteindelijk bleek die kans hier niet reëel. Daarom vertegenwoordigde de gemiste kans geen waarde. Het maakt in die situatie in beginsel geen verschil of het leerstuk verlies van een kans wordt toegepast of dat een zuivere vermogensvergelijking wordt gemaakt. Als niet aannemelijk is
dater schade is geleden, is het resultaat in beide benaderingen hetzelfde. Het betekent ook dat er geen schade is waarmee de onrechtmatige gedraging in oorzakelijk verband kan staan. A ls het causaal verband ontbreekt, kan en hoeft geen schatting van de omvang van gestelde schade te worden gemaakt.
Onder a)klaagt [A] dat volgens rov. 2.14 van het tussenvonnis van de rechtbank van 19 mei 2010 het causaal verband vaststond, dat dit oordeel in hoger beroep niet is bestreden en het in appel daarom alleen aankwam op de
hoogtevan de te vergoeden schade wegens de door de curator ontnomen kans, zodat het hof niet tot de “
verrassende beslissing” [40] kon komen dat geen schade kon worden aangetoond en daarom het causaal verband ontbrak. Het hof is volgens [A] aldus buiten de grenzen van de rechtsstrijd.
Onder bstelt [A] dat het hof ook overigens niet tot het oordeel kon komen dat het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de schade ontbreekt. De gegrond bevonden grief E.2 had met het causaal verband niets van doen, maar bestreed slechts de conclusies van de deskundige in eerste aanleg die de rechtbank heeft gevolgd onder verwerping van het verweer van de curator tegen de uitgangspunten en inhoud van het deskundigenbericht. [A] stelt dat het eindarrest in zoverre ondeugdelijk met redenen is omkleed.
Onder cklaagt [A] dat het niet kunnen vaststellen van de schade (rov. 2.9) niets van doen heeft met, en aldus niet bijdraagt tot de vaststelling van het al of niet bestaan van causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de curator en de schade (rov. 2.10). Zij klaagt dat het arrest ook in zoverre ondeugdelijk met redenen is omkleed.
“leidt niet tot een andere uitkomst”(en dus tot afwijzing van de vorderingen van [A] ) volgt dat ook in hoger beroep het causaal verband en de kans op schade uitgangspunt is. Over de
omvangvan de schade, waar het [A] om is te doen, is daarmee echter nog niets gezegd.
geleden schade” – gezien de context zal zijn bedoeld: gestelde schade –niet is komen vast te staan (rov. 2.10, eerste zin, van het eindarrest), moet in dat licht worden gelezen. Deze overweging laat onverlet dat het causaal verband tussen het nalaten van de curator en de kans op schade gegeven is. Op grond van de processtukken en in het bijzonder de bevindingen van de door hem benoemde deskundige is het hof kennelijk tot het oordeel gekomen dat [A] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verloren gegane kans waarde had (zie ook hiervoor 3.8). Dit volgt duidelijker uit de slotzin van rov. 2.10 en uit de daaraan verbonden gevolgtrekking in rov. 2.11 dat grief E.2 in het incidenteel appel slaagt. Die constatering kan de afwijzende beslissing van het hof dragen.
Onder astelt [A] – kort gezegd – dat het hof zijn taak bij de schadevaststelling heeft miskend. Het had op de weg van het hof gelegen om de schade desnoods schattenderwijs vast te stellen (art. 6:97 BW Pro).
Onder bstelt [A] – niet als klacht geformuleerd, maar kennelijk wel zo bedoeld – dat ook overigens het oordeel van de deskundige niet meebrengt dat het niet mogelijk zou zijn om de door [A] geleden schade vast te stellen, nu het aankomt op het verlies van een kans om de uiteindelijke schade te vermijden.
“al was het maar ten dele”onderstrepen tot slot dat schatting van schade hier niet aan de orde was.
Onder aklaagt [A] dat het hof heeft miskend dat het ook in hoger beroep aankwam op de beantwoording van de vraag hoe groot de waarde van de verloren kans is geweest. De kansschadeleer is volgens haar onjuist toegepast. Daarbij heeft [A] in het bijzonder het oog op de uitgangspunten zoals verwoord in rov. 4.26-4.28 van het tussenarrest van 23 september 2014, met de strekking dat ter bepaling van de schade de werkelijke situatie zou moeten worden vergeleken met de fictieve situatie waarin [A] de onderneming zou hebben kunnen overnemen en dat het voor de hand ligt om zoveel mogelijk rekening te houden met de ontwikkelingen zoals die zich in werkelijkheid hebben voorgedaan. [A] klaagt dat het hof heeft miskend dat de leer van de kansschade geëigend is om een oplossing te bieden voor sommige situaties waarin onzekerheid bestaat over de vraag of een op zichzelf staande tekortkoming of onrechtmatige daad schade heeft veroorzaakt en waarin die onzekerheid haar grond vindt in de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld in hoeverre in de hypothetische situatie dat de onrechtmatige daad achterwege zou zijn gebleven, de kans op succes zich in werkelijkheid zou hebben gerealiseerd. [A] stelt verder dat het voor de toepassing van de kansschadeleer benodigde csqn-verband als gegeven was aan te merken.
Onder bvoert [A] aan dat de door het hof in rov. 4.28 van het tussenarrest aangelegde maatstaf (vergelijking van de hypothetische situatie bij overname met de werkelijke situatie zonder overname) niet aan het partijdebat valt te ontlenen en ook niet zonder meer aan het eerder overwogene. Het arrest is in zoverre niet deugdelijk met redenen omkleed.
Onder cklaagt [A] dat het hof in samenhang hiermee ten onrechte de deskundige heeft opgedragen de in rov. 4.26 tot en met 4.28 van het tussenarrest geformuleerde gezichtspunten tot uitgangspunt te nemen. Daarmee is de door de deskundige te volgen benadering wezenlijk anders geweest dan bij een benadering aan de hand van de kansschade, aldus het middel.
moestworden vastgesteld. [41] Het valt dan ook niet in te zien waarom het hof niet van eenzelfde benadering heeft mogen uitgaan. De vraagstelling aan de deskundige in het tussenarrest van 28 juli 2015 is ook identiek aan de vraagstelling van de rechtbank in het tussenvonnis van 28 mei 2008, met dien verstande dat door eerstgenoemde deskundige de fictieve investering niet op het te berekenen schadebedrag in mindering mocht worden gebracht (wat een voor [A] gunstig uitgangspunt is) en dat het hof een aantal sub-vragen heeft geformuleerd.
met inachtneming van hetgeen het hof hierover heeft gezegd’ (dat wil zeggen: de inhoud van rov. 4.26 tot en met 4.28 van het tussenarrest van 23 september 2014). Dat is ook de route die het hof heeft gekozen. Pas nadat de door het hof benoemde deskundige een eerste conceptrapport had opgesteld, is namens [A] kritiek geuit op de door het hof geformuleerde uitgangspunten. [42]
vóór de datum van de fictieve overname, zoals de gevolgen van de brand uit 2001 en de oorzaken van het faillissement in 2002. Die ontwikkelingen zouden immers net zo goed van invloed zijn geweest op de resultaten van de onderneming na overname van de activa door [A] . Hetzelfde geldt voor de uiteindelijk uitgekeerde verzekeringsvergoeding wegens brandschade. Voor zover het andere ontwikkelingen van
ná de datum van de fictieve overnamebetreft, in het bijzonder de (uiteindelijke) mislukking van de doorgestarte onderneming, zou haar klacht te begrijpen zijn als het oordeel van het hof had ingehouden dat de ontwikkelingen bij Imogène International onverkort bij de schadevaststelling moesten worden betrokken. [43] Het oordeel van het hof is echter een stuk meer genuanceerd, in die zin dat rekening is gehouden met de ontwikkelingen op de markt, zoals die de resultaten van Imogène International hebben beïnvloed. De deskundige diende te abstraheren van het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering van Imogène International. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, zie ik niet in waarom de bekende marktontwikkelingen van na de datum van de fictieve overname niet in de begroting van de schade zouden mogen worden betrokken. In het geval van voortzetting van de onderneming door [A] zou [A] immers met die zelfde marktontwikkeling te maken hebben gehad.
Onder awijst [A] erop dat de door Rins gevolgde benadering onjuist is, in het bijzonder waar het de vergelijking van de doorgestarte onderneming met Imogène International betreft. De ontnomen kans had betrekking op de onderneming van de cv in bruidsmode, terwijl Imogène International ook een onderneming in avondkleding dreef. In het kader van de waardering van de schade deden de gegevens omtrent de bedrijfsvoering van Imogène International dan ook niet ter zake. Het hof heeft de relevantie van het te maken onderscheid in rov. 2.7 kennelijk niet onderkend. Daarnaast stelt [A] dat het hof, waar het dit bezwaar betreft, heeft miskend dat het niet aankwam op de vraag of een doorstart door [A] met bruidsmode wel succesvol zou zijn geweest. Het bezwaar had betrekking op het in de waardering hanteren van gegevens van de mislukte onderneming Imogène International in avondkleding en bruidskleding in het kader van de waardering van de schade die [A] heeft geleden als gevolg van ontneming van de kans van overname van de onderneming in bruidsmode. Aldus is het arrest onvoldoende gemotiveerd.
marktontwikkelingen, nu aannemelijk is dat die de resultaten van de onderneming (van [A] ) in de fictieve situatie op dezelfde wijze zouden hebben beïnvloed als de resultaten van Imogène International in de werkelijke situatie (zie ook hiervoor, 3.20).