Conclusie
Wgbl), op grond van welke bepaling, kort gezegd, onderscheid (op grond van leeftijd) verboden is met betrekking tot de voorwaarden voor en de toegang tot het vrije beroep en de mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije beroep. Volgens het hof in het tussenarrest is art. 4 Wgbl Pro in dit geval geschonden en ontbreekt een objectieve rechtvaardiging daarvoor als bedoeld in art. 7 lid Pro 1, aanhef en onder c Wgbl. De beëindiging van de zogenoemde aansluitingsovereenkomsten van de persoonlijke houdstervennootschappen van de twee partners/aandeelhouders met een beroep door de vennootschap op de verlaagde uittredingsleeftijd zonder een afdoende compensatie voor het wegvallen van de inkomsten, is, naar het oordeel van het hof, in de gegeven omstandigheden onder meer onrechtmatig jegens de twee partners/aandeelhouders en hun houdstervennootschappen.
1.De feiten
hof) van 19 december 2017. [1]
HAB) is enig aandeelhouder van [A] B.V., met vestigingen in [vestigingsplaats 1] en [vestigingsplaats 2] . [verweerder 3] (hierna:
[verweerder 3]) is fiscalist. [verweerder 4] (hierna:
[verweerder 4]) is registeraccountant. [verweerder 3] en [verweerder 4] zijn in 2002 als partner toegetreden tot [B] N.V., de rechtsvoorganger van HAB, en hebben daarbij hun onderneming [C] ( [C] ) te [plaats] ingebracht en goodwill betaald. [verweerster 1] B.V (hierna:
[verweerster 1]) en [verweerster 2] B.V. (hierna:
[verweerster 2]) zijn hun persoonlijke houdstervennootschappen. [verweerder 3] en [verweerster 2] bereikten in 2016 beiden de leeftijd van 62 jaar.
aansluitingsovereenkomst).
Kwaliteitseis.
Algemene Bepalingen) luidt:
Artikel 1.
Terugbrengen aantal partners
Conclusie en 1e eis : werken aan winstherstel op korte termijn.
Conclusie op basis van de kerncijfers
Verdere maatregelen in 2013
AVA-besluit). Het relevante deel van het gewijzigde art. 15 van Pro de Algemene Bepalingen luidt als volgt:
Einde aansluitingsovereenkomst
BAVA-besluit).
2.Het procesverloop
[verweerders]) vorderen bij dagvaarding van 11 november 2015, samengevat en na wijziging van eis van 23 juni 2016:
rechtbank) een comparitie van partijen gelast. [3]
tussenarrest) heeft het hof onder meer partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de verwachte ontwikkeling van de winst van HAB over 2017 t/m 2019 en alle omstandigheden die het hof naar hun oordeel bij zijn afwegingen ter zake van de hoogte van het vast te stellen bedrag dient te betrekken. Het hof overweegt daartoe als volgt: (rov. 3.1-3.6)
Kamerstukken II, 2001/02, 28170, nr. 3, p. 22). Met de doelstelling van het verhogen van de winstgevendheid, terwijl de continuïteit op korte termijn niet is bedreigd, is door HAB geen afdoende legitimering in de zin van artikel 7 lid 1 onder Pro c WGBLA voor de op korte termijn ingevoerde leeftijdsgrens gegeven.
SMANrespectievelijk het
SMAN-rapport). [verweerders] hebben aan de hand van het SMAN-rapport betoogd dat de door hen geleden schade bestaat uit een deel van het door hen gemiste winstdeel over de jaren 2017, 2018 en 2019 en het verschil tussen de thans aan hen toekomende goodwillrechten vanaf 2017 en de goodwillrechten zonder beëindiging vanaf 2020. [verweerders] hebben naar aanleiding daarvan hun eis aangevuld en vermeerderd in die zin dat zij thans vorderen om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Mazarsrespectievelijk het
Mazars-rapport). HAB heeft betoogd dat aan [verweerders] in het geheel geen compensatie toekomt, nu zij de redelijke voorstellen voor de beëindiging van de aansluitingsovereenkomsten van HAB telkens hebben afgewezen, althans zelf schuld hebben aan het ontstaan van hun schade. Verder heeft HAB aan de hand van het Mazars-rapport betoogd dat de gemiste winstdelen voor elk van [verweerder 3] / [verweerster 1] en [verweerder 4] / [verweerster 2] ten hoogste € 120.000,-- (2017), € 157.000,-- (2018) en € 222.000,-- (2019) bedragen. Daarop moet volgens HAB voor elk jaar, als aftrek voor de gemiste arbeidsbijdrage van [verweerders] , telkens het loon van de best betaalde medewerker van HAB ad € 123.000,-- in mindering worden gebracht, zodat resteert € 0,-- (2017), € 34.000,-- (2018) en € 99.000,-- (2019) voor elk van [verweerder 3] en [verweerder 4] . Ten aanzien van de gevorderde compensatie voor de goodwillbetalingen stelt HAB zich op het standpunt dat dit geen onderdeel uitmaakt van de in het tussenarrest bedoelde compensatie “op basis van een redelijk deel van de te schatten winstdelen van [verweerder 3] en [verweerder 4] , althans hun vennootschappen”. Voor zover dat wel zo mocht zijn, betoogt HAB dat weliswaar een verschil van € 128.000,-- bestaat tussen de nominale waarde van het totaal van de vanaf 2017 verschuldigde goodwillbetalingen en de nominale waarde van de totaal vanaf 2020 verschuldigde goodwillbetalingen, maar dat de contante waarde van de vanaf 2020 verschuldigde goodwillbetalingen op basis van de door Mazars gehanteerde disconteringsvoet van 15% gelijk is aan de contante waarde van de eventuele vanaf 2017 uit te betalen goodwillbetalingen, zodat geen grond bestaat voor enige compensatie. De kosten van het SMAN-rapport moeten als onderdeel van de kosten van de procedure voor rekening van [verweerders] blijven.
eindarrest) vernietigt het hof het vonnis waarvan beroep en wordt HAB, opnieuw rechtdoende, veroordeeld aan zowel [verweerder 3] en [verweerster 1] als [verweerder 4] en [verweerster 2] te betalen € 460.333,--, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2018 over € 125.000,--, vanaf 1 januari 2019 over € 155.667,-- en vanaf 1 januari 2020 over € 179.666,--, telkens tot aan de dag van betaling. Het hof bepaalt voorts dat de betaling van voormelde bedragen geen negatieve invloed zal hebben op de vaststelling van de hoogte van de aan [verweerders] toekomende goodwillbetalingen over de jaren 2017 t/m 2021. Verder veroordeelt het hof HAB tot betaling van € 23.128,38, te vermeerderen met wettelijke rente, tot terugbetaling aan [verweerders] van hetgeen uit hoofde van het vonnis in eerste aanleg aan haar is voldaan en tot de proces- en nakosten in beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is door het hof afgewezen. Het hof heeft aan die beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd: (rov. 2.4-2.7)
3.De bespreking van de cassatiemiddelen
[D]) per 1 januari 2010. In 2009 hebben de vennoten van (toen nog) de maatschap [A] en de aandeelhouders van [D] besloten hun ondernemingen te fuseren. Ten tijde van de fusie waren veertien B.V.’s vennoten van de maatschap [A] en had [D] vier partners/aandeelhouders. In het kader van de voorgenomen fusie is [B] N.V. opgericht. [B] N.V. heeft de aandelen van de werkmaatschappijen van [D] gekocht en geleverd gekregen, waarbij de [D] -partners hun werkzaamheden bleven verrichten vanuit die werkmaatschappijen, met uitzondering van de werkmaatschappij [E] B.V. De naam van laatstgenoemde vennootschap is veranderd in [A] B.V. Deze vennootschap heeft de maatschapsaandelen van de vennoten in de maatschap [A] gekocht en geleverd gekregen en is de werkmaatschappij geworden van waaruit de [A] -vennoten hun werkzaamheden verrichtten. De aandeelhouders in [D] en de vennoten van de maatschap [A] verkregen ieder één aandeel in [B] N.V. Ieder van hen is, zowel in privé als in naam van hun persoonlijke vennootschap, een aansluitingsovereenkomst aangegaan met [B] N.V. De fusie is mislukt en per 1 juli 2011 weer beëindigd. In het kader van de ontvlechting heeft [B] N.V. haar aandelen in de werkmaatschappijen van [D] (terug) verkocht en geleverd aan [D] en haar aandelen in [A] B.V. (terug) verkocht en geleverd aan het door de [A] -vennoten opgerichte HAB (HAB Holding B.V.). Over de nakoming van de ontvlechtingsovereenkomsten en de financiële afwikkeling daarvan is een geschil ontstaan dat heeft geleid tot een arrest van het hof van 8 oktober 2019. [29] De voorgaande beschrijving is ontleend aan rov. 3.1 van dat arrest. Na de ontvlechting met [D] zijn de [A] -vennoten verder gegaan in het samenwerkingsverband zoals mede beschreven onder 1.2-1.3 hiervoor, waarbij op grond van de statuten van HAB de aandeelhouders zijn gebonden aan de aansluitingsovereenkomsten die zij met [B] N.V. hadden gesloten (zie onder 1.4 hiervoor) en waarbij zij werkzaamheden bleven verrichten in de werkmaatschappij [A] B.V. Deze achtergrond van de mislukte fusie met [D] is in het procesdossier ook zowel zijdens [verweerders] als zijdens HAB aan de orde gesteld. [30]
Wgb) is de oudste wet op het terrein van gelijke behandeling en onderscheid bij de arbeid in ons land. [31] De Wgb werd ingevoerd ter implementatie van een EEG-richtlijn. [32] In deze wet bestaat, in navolging van die richtlijn, reeds aandacht voor toepassing op vrije beroepsbeoefenaren. Op grond van art. 2 Wgb Pro is het niet toegelaten onderscheid (op grond van geslacht) te maken met betrekking tot de voorwaarden voor de toegang tot en de mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije beroep. Art. 2 Wgb Pro schept “binnen het raam van de richtlijn analoge wettelijke waarborgen voor de beoefenaar van het vrije beroep.” [33] In de memorie van toelichting valt over art. 2 Wgb Pro voorts te lezen: [34]
Dit is slechts één voorbeeld. Het artikel van dit wetsontwerp is zo ruim geformuleerd dat ook andere gevallen waarin er onderscheid gemaakt wordt onder het artikel begrepen kunnen worden.”
Awgb) tot stand gekomen. [42] Waar de Wgb ‘slechts’ het verbod van onderscheid op grond van geslacht kent, bevat de Awgb meer discriminatiegronden, maar niet leeftijd. [43] Op grond van art. 6 Awgb Pro is onderscheid (waaronder dus niet begrepen is leeftijdsonderscheid) verboden met betrekking tot de voorwaarden voor en de toegang tot het vrije beroep en de mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije beroep. Zoals blijkt uit de formulering van de bepaling is die ontleend aan art. 2 Wgb Pro. [44]
Wgbh/cz). [45] Art. 5 Wgbh Pro/cz, dat is ontleend aan art. 6 Awgb Pro, heeft betrekking op het vrije beroep, met betrekking tot discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte. [46]
eersteplaats geldt dat de bepaling richtlijnconform moet worden uitgelegd. De Wgbl is ingevoerd ter implementatie van een EG-richtlijn (hierna: de
Kaderrichtlijn). [49] In art. 3 van Pro deze Kaderrichtlijn wordt de materiële werkingssfeer geregeld. Volgens art. 3 lid 1 onder Pro a is de Kaderrichtlijn, kort gezegd, zowel in de overheidssector als in de particuliere sector van toepassing op alle personen, met betrekking tot de voorwaarden voor toegang tot de arbeid in loondienst of als zelfstandige en tot een beroep, ongeacht de tak van activiteit en op alle niveaus van de beroepshiërarchie. [50]
tweedeplaats geldt dat art. 4 Wgbl Pro samenhang heeft met de gelijkebehandelingswetten aangehaald onder 3.5-3.7 hiervoor. De formulering van art. 4 Wgbl Pro sluit aan bij art. 6 Awgb Pro, welke bepaling op haar beurt weer is ontleend aan art. 2 Wgb Pro. De parlementaire geschiedenis van art. 2 Wgb Pro en art. 6 Awgb Pro, zoals hiervoor uiteengezet, kan dus eveneens van belang zijn bij de uitleg van art. 4 Wgbl Pro. De structuur van de Wgbl wijkt overigens wel af van de Awgb. [51]
derdeplaats geldt dat het toepassingsbereik van art. 4 Wgbl Pro ruim is. Bij een arbeidsverhouding met werkgeversgezag is art. 3 Wgbl Pro van toepassing. Art. 4 Wgbl Pro heeft betrekking op alle andere arbeidsrelaties waarbij zo’n gezagsverhouding ontbreekt. Er wordt uitdrukkelijk verwezen naar vrije beroepsbeoefenaren, zoals een advocaat of notaris (en waaronder ook accountants en belastingadviseurs kunnen worden begrepen, zie ook onder 3.5 hiervoor) en voorts naar zelfstandigen zonder personeel. [52] Dat de vrije beroepsbeoefenaren hun beroep in de onderhavige zaak in een maatschapsstructuur in B.V.-vorm uitoefenen (zie onder 3.4 hiervoor), staat m.i., gelet ook op het ruime toepassingsbereik dat zowel de Europese als de Nederlandse wetgever voor ogen heeft gestaan, niet aan toepassing van art. 4 Wgbl Pro in de weg. [53] Dat vrije beroepsbeoefenaren zich tegenwoordig “hullen in het kleed” van een eigen rechtspersoon waarvan zij zelf bestuurder zijn, [54] ofwel dat het samenwerkingsverband (ook) is gehuld in een “kapitaalvennootschappelijk jasje”, [55] doet niet af aan toepassing van art. 4 Wgbl Pro. De toepassing op vrije beroepsbeoefenaren behoort m.i. rechtsvormonafhankelijk te zijn. Niet (ook) beslissend is of de “samenwerking in maatschapsverband” daadwerkelijk plaatsvindt in de rechtsvorm van de maatschap (zoals in het geval van HAB voor de fusie met [D] kennelijk nog het geval was) of in een maatschapsstructuur in B.V.-vorm (zoals in de onderhavige zaak het geval is bij HAB); beslissend is of, naar de kern genomen, sprake is van een samenwerking als deelgenoten. [56] Daarvan is sprake in de onderhavige zaak, waarin de partners/aandeelhouders via hun persoonlijke B.V. (persoonlijke houdstervennootschap) hun arbeid ter beschikking stellen aan HAB en via die B.V. delen in de winst van HAB (zie onder 3.4 hiervoor).
voornaamstedoel [was] de winstgevendheid van HAB voor de overblijvende (jongere) partners op korte termijn te versterken” [cursivering toegevoegd, A-G], en voorts “wat er zij van de gunstige effecten op de onderneming als geheel op de langere duur”), begrijp ik het hof aldus dat met dat voornaamste doel van het verhogen van de winstgevendheid, terwijl de continuïteit van HAB/de onderneming op korte termijn niet is bedreigd, hier geen voldoende zwaarwegend bedrijfsbelang aanwezig is, en aldus “geen afdoende legitimering” zoals bedoeld in art. 7 lid Pro 1, aanhef en onder c Wgbl (in de zin van een legitiem doel), wat insluit dat mogelijke gunstige effecten van het vertrek van de oudere partners op de onderneming als geheel op de langere duur, hetgeen hoogstens een secundair doel is (nu “het voornaamste doel” eruit bestaat “de winstgevendheid van HAB voor de overblijvende (jongere) partners op korte termijn te versterken”), als factor onvoldoende gewicht in de schaal legt om wel zo’n afdoende legitimering te kunnen opleveren. Ik meen dat dit geen miskenning oplevert van hetgeen onder 3.11 hiervoor is uiteengezet aan relevant juridisch kader, in het bijzonder parlementaire geschiedenis en rechtspraak van zowel het Europese Hof van Justitie als de Hoge Raad.
noodzakelijkmiddel als bedoeld in art. 7 lid Pro 1, aanhef en onder c Wgbl, hetgeen ook strookt met de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wgbl [70] en het onder 3.11-3.12 hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad uit 2019. [71] Gelet op de cumulatief geldende eisen, is daarmee hoe dan ook geen sprake van een objectief gerechtvaardigd onderscheid in de zin van art. 7 Wgbl Pro. De beoordelingsmarge die ter zake aan HAB toekomt, doet daaraan niet af.
ex tunc, er zal zoveel mogelijk herstel in de vorige toestand moeten plaatsvinden. [78] Onder omstandigheden kunnen de gevolgen van een van rechtswege ingetreden nietigheid, mede in het licht van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, worden beperkt. [79] Dat past bij het in de literatuur aangenomen uitgangspunt dat de effectuering van nietigheden zo veel mogelijk aan belanghebbenden moet worden overgelaten en dat nietigheid geen verdere gevolgen heeft dan een doelmatig functioneren van de rechtsorde vergt. [80] Art. 13 Wgbl Pro gaat uitsluitend over een nietig
beding. Daaruit volgt dat een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van een vennootschap, zoals het AVA-besluit, niet door de nietigheidssanctie van art. 13 Wgbl Pro wordt geraakt. Boek 2 BW kent, met art. 2:14, 2:15 en 2:16 BW, een eigen regeling voor nietigheid en vernietigbaarheid van besluiten van een orgaan van de rechtspersoon, waarop het hof ook wijst in rov. 3.1-3.2 en 3.4 tussenarrest (art. 2:15 lid Pro 1, aanhef en onder b BW jo. art. 2:8 BW Pro). Op grond van art. 2:14 lid 1 BW Pro is een besluit van een orgaan van de rechtspersoon dat in strijd is met de wet in beginsel nietig. Die wet zou, afhankelijk van de inhoud van het besluit en de overige omstandigheden van het geval, ook de Wgbl kunnen zijn; een wet buiten het rechtspersonenrecht. [81] Het gaat dan, in de systematiek van art. 2:14 BW Pro en art. 2:15 BW Pro, om een besluit dat nietig is ex art. 2:14 lid 1 BW Pro, zonder dat de in art. 2:14 leden Pro 2 en 3 BW geregelde mogelijkheid van bekrachtiging speelt (“nietig zonder meer”). [82] Aan de vraag of het besluit voor vernietiging in aanmerking zou kunnen komen op grond van art. 2:15 lid 1 BW Pro, welke vraag het hof in rov. 3.4 tussenarrest wat betreft het AVA-besluit ontkennend beantwoordt, wordt dan niet meer toegekomen. De toepasselijkheid van art. 2:14 BW Pro sluit toepassing van art. 2:15 BW Pro uit. [83] Dat art. 13 Wgbl Pro alleen betrekking heeft op een
beding, betekent hier voorts dat de beëindiging van de onderhavige aansluitingsovereenkomsten “met een beroep” zijdens HAB “op” de wijziging van het bepaalde in art. 15 van Pro de Algemene Bepalingen (via het AVA-besluit) (rov. 3.4, eerste zin tussenarrest), en daarmee het vervroegde uittreden van [verweerder 3] en [verweerder 4] , als zodanig niet onder de nietigheidssanctie van art. 13 Wgbl Pro valt, nu dit jegens [verweerders] , in het licht ook van rov. 3.3 tussenarrest, een
handelenin strijd met de Wgbl impliceert wat insluit dat HAB hier heeft vastgehouden aan die (in beginsel) vroegtijdige beëindiging door het gewijzigde art. 15 lid Pro 1, aanhef en onder d van de Algemene Bepalingen (via het AVA-besluit) (zie rov. 2.8 tussenarrest) en (dus) de daarin vervatte “tenzij”, etc. correctiefaciliteit niet heeft benut, zonder een afdoende compensatie voor het wegvallen van de inkomsten. [84] Op zulk handelen kan intussen bijvoorbeeld wel art. 6:162 BW Pro toepassing vinden. De enkele overtreding van de Wgbl leidt tot aansprakelijkheid, in welk verband een beroep op onrechtmatige daad kan worden gedaan, zo blijkt uit de hiervoor aangehaalde passage uit de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wgbl. Daarmee wordt kennelijk aansluiting gezocht bij vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie sinds een uitspraak van 8 november 1990, waarin onder meer werd overwogen: [85]
NJ-annotatie bij het arrest kan Van Schilfgaarde zich in die benadering vinden, waarbij hij opmerkt dat bij een vordering uit onrechtmatige daad niet zozeer (in de woorden van de Hoge Raad) “de rechtsgeldigheid van het besluit tot uitgangspunt” wordt genomen, maar dat (in de woorden van Van Schilfgaarde) “bij het instellen van een vordering tot vergoeding van schade in het midden kan worden gelaten of het besluit, op zichzelf genomen, geldig is”, waarna hij concludeert dat “[o]ok in dit opzicht het (ondernemingsrechtelijk) systeem niet beslissend [is]”. [91] Dat geldt naar ik meen ook in een geval als het onderhavige. Dat het hof in rov. 3.4 en 3.5 tussenarrest kennelijk met de afwijzing van de primaire vordering de rechtsgeldigheid van de AVA- en BAVA-besluiten tot uitgangspunt heeft genomen (welk oordeel in het principale cassatieberoep niet wordt bestreden), staat dus ook niet in de weg aan toekenning van “compensatie” op basis van de subsidiaire vordering als gevolg van, kort gezegd, onrechtmatig handelen van HAB jegens [verweerders] vanwege HABs handelen in strijd met de Wgbl. De wettekst, parlementaire geschiedenis en strekking van art. 13 Wgbl Pro brengen m.i. evenmin met zich dat aan de nietigheidssanctie uit die wet exclusieve werking toekomt. Uitgangspunt op grond van art. 17 Kaderrichtlijn Pro is dat de te treffen sancties doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend moeten zijn. Bij de nietigheidssanctie komt de rechter een zekere vrijheid toe om de gevolgen van de nietigheid te beperken. [92] In zoverre kan het verschil met een onrechtmatige daadsactie worden gerelativeerd. Zowel bij het bepalen van de gevolgen van de nietigheidssanctie als bij een actie uit onrechtmatige daad moet voor ogen worden gehouden dat de gelijkebehandelingsbepalingen niet op grond van de redelijkheid en billijkheid te gemakkelijk opzij worden gezet. [93] In de aangehaalde passage uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wgbl wordt opgemerkt dat de rechtgevolgen van overtreding van de Wgbl
naast(“Daarnaast”) art. 11 en Pro 13 worden bepaald door het algemene vermogensrecht (zie bij noot 72 onder 3.13 hiervoor). De aangehaalde passage over “sancties” uit de notitie omtrent implementatie van richtlijnen inzake gelijke behandeling (zie bij noot 75 onder 3.13 hiervoor) zou wellicht op het eerste gezicht nog aldus kunnen worden gelezen dat de nietigheidssanctie (exclusief) geldt in contractuele verhoudingen en dat (uitsluitend) in niet-contractuele verhoudingen een beroep gedaan kan worden op art. 6:162 BW Pro. Een dergelijk categorisch onderscheid lijkt mij niet in overeenstemming met de bedoeling van de (Europese en Nederlandse) wetgever. Ik wees er onder 3.13 hiervoor al op dat de reikwijdte van de nietigheidssanctie ook in contractuele verhoudingen begrenzingen kent. Er moet immers wel een “beding” zijn, dat zich voor nietigheid leent. Ik memoreer in dat verband voorts de woorden van de minister bij invoering van de Wgb, die, toegespitst op de bepaling over het vrije beroep, stelde dat “nietigheid niet de meest hanteerbare sanctie is” en dat daarom voor art. 2 Wgb Pro over het vrije beroep werd gekozen voor een actie uit onrechtmatige daad (zie bij noot 37 onder 3.5 hiervoor). De nietigheidssanctie gold toen nog niet, maar is later alsnog mogelijk geworden voor overeenkomsten met betrekking tot het vrije beroep (zie voor art. 2 Wgb Pro ook onder 3.5 hiervoor, zie voor art. 4 Wgbl Pro onder 3.13 hiervoor).
Subonderdeel 2.1klaagt dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 2 BW Pro [99] geen betalingsverplichting kan doen ontstaan en
subonderdeel 2.2, nader uitgewerkt in
sub-subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2, klaagt dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW Pro geen betalingsverplichting kan doen ontstaan.
contractueelvan aard zijn, is onjuist ’s hofs onrechtmatig-oordeel dat HAB, ondanks die contractuele rechtsverhoudingen, jegens [verweerster 1] en [verweerster 2] onrechtmatig gehandeld zou hebben.
ondanksdie contractuele rechtsverhoudingen jegens [verweerster 1] en [verweerster 2] onrechtmatig gehandeld zou hebben. Voor zover het onderdeel daarmee afwijkt van wat het hof ter zake wel overweegt in rov. 3.3-3.4 tussenarrest, gaat het onderdeel uit van een onjuiste lezing van het tussenarrest en mist het daarmee feitelijke grondslag. Waarom het hof het bestreden oordeel nader had moeten motiveren, blijkt verder niet uit het onderdeel en valt ook niet in te zien, in aanmerking genomen: hetgeen het onderdeel wel aanvoert; hetgeen het hof overweegt in rov. 2.1-3.4 tussenarrest; het voorgaande; en dat dit afdoende na te volgen oordeel van het hof, verweven als het is met waardering van omstandigheden van feitelijke aard, in cassatie voor het overige niet op juistheid kan worden getoetst.
4.De aangeboden regeling
Voor alle betrokken partijen is dit absoluut een uitstekende oplossing in situaties waarin partners vrijwillig besluiten gebruik te maken van hun recht om vanaf hun 57e jaar te vertrekken.
zeer goede financiële tegemoetkoming” is, er wél een basis voor een vordering is.
heeft, in tegenstelling tot het verbod in artikel 3, geen betrekking op het aangaan of beëindigen van een arbeidsverhouding, aangezien het hier geen werkgevers – werknemers relatie betreft.
Wel kan in bepaalde gevallen bij een discriminatoire beëindiging van een samenwerking in maatschapsverband een beroep op dit artikel worden gedaan, namelijk indien de beëindiging tot gevolg heeft dat de persoon in kwestie wordt belemmerd in zijn mogelijkheden tot uitoefening van het vrije beroep.”
productie 1wordt overlegd de Beleidsnotitie 2012-2015 aan de aandeelhouders waarin gemotiveerd gewag wordt gemaakt van o.a. de voornoemde noodzaak tot het terugdringen van het aantal partners (…).
productie 3) waaronder vervroegde uittreding c.q. een andere rol voor een aantal partners teneinde HAB [A] / [A] aantrekkelijk te laten blijven voor de bestaande en toekomstige partners om een interessante propositie te zijn. Alleen in dat geval kan de continuïteit van HAB holding/ [A] in de toekomst gewaarborgd worden.” [162]
sub-subonderdeel 4.3.1. Dit sub-subonderdeel klaagt dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd miskent. Volgens dit sub-subonderdeel is in rov. 4.3 van het eindvonnis van 24 augustus 2016 “ongegriefd” geoordeeld dat [verweerders] de door HAB gestelde, door de rechtbank in rov. 4.2 van het vonnis weergegeven, belangen “als zodanig niet betwist” hebben. Dat oordeel van de rechtbank laat zich volgens het sub-subonderdeel niet anders verstaan, dan dat het vertrek van oudere partners geenszins als (voornaamste) doel had om op korte termijn HABs winstgevendheid te versterken voor de overblijvende (jongere) partners. Volgens dit sub-subonderdeel heeft het hof althans een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de stellingen die [verweerders] in hun memorie van grieven hebben betrokken, nu die stellingen niet inhouden dat HAB de in rov. 4.3 door de rechtbank vermelde “door HAB gestelde belangen” niet werkelijk gehad zou hebben en evenmin inhouden dat het vertrek van oudere partners “tot voornaamste doel” gehad zou hebben om op korte termijn HABs winstgevendheid te versterken voor de overblijvende (jongere) partners.
sub-subonderdeel 4.3.2. Dit sub-subonderdeel klaagt dat het door subonderdeel 4.3 bestreden oordeel van het hof in rov. 3.3, vierde zin tussenarrest althans ontoereikend is gemotiveerd, omdat het hof ten onrechte niet (voldoende) respondeert op door HAB betrokken, als essentieel aangemerkte, stellingen, zoals door de rechtbank weergegeven in rov. 4.2 van het eindvonnis van 24 augustus 2016. [166] Volgens het sub-subonderdeel laten deze stellingen zich niet anders verstaan, dan dat het vertrek van de oudere partners geenszins als (voornaamste) doel had om op korte termijn HABs winstgevendheid te versterken voor overblijvende (jongere) partners, zodat het oordeel van het hof, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Volgens het sub-subonderdeel hebben alle door HAB getroffen maatregelen, waaronder dus niet alleen het vertrek van oudere partners, maar ook (bijvoorbeeld) afvloeiing van personeel en kostenbesparing, als doel om HABs continuïteit op lange termijn te waarborgen.
sub-subonderdeel 4.3.3. Dit sub-subonderdeel klaagt dat het door subonderdeel 4.3 bestreden oordeel van het hof in rov. 3.3, vierde zin tussenarrest bovendien onbegrijpelijk is, voor zover het berust op de in rov. 3.3 tussenarrest vermelde “documenten voorafgaande aan de besluiten van 13 november en 17 november [bedoeld zal zijn: december, A-G] 2014.” Volgens het sub-subonderdeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, ontoelaatbaar onduidelijk welke documenten het hof hier bedoelt. Het sub-subonderdeel klaagt vervolgens dat, indien het oordeel van het hof hier berust op de door HAB als productie 1 bij de conclusie van antwoord overgelegde beleidsnotitie waaruit het hof in rov. 2.7 tussenarrest citeert, het oordeel onbegrijpelijk is. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, blijkt volgens het sub-subonderdeel uit die beleidsnotitie niet dat het vertrek van oudere partners als (voornaamste) doel had om op korte termijn HABs winstgevendheid te versterken voor de overblijvende (jongere) partners. [167] Het sub-subonderdeel klaagt verder nog dat indien het oordeel van het hof hier berust op de door HAB als producties 2 t/m 6b bij haar conclusie van antwoord overgelegde documenten, waaronder de als productie 3 overgelegde powerpointpresentatie van 3 juli 2013, het om dezelfde redenen onbegrijpelijk is.
ja’beantwoord worden.
De oorzaken van de verminderde resultaten waren in belangrijke mate het gevolg van de keuzes die gemaakt waren en die bovendien incidenteel van aard waren.
voornaamstedoel [was] de winstgevendheid van HAB voor de overblijvende (jongere) partners op korte termijn te versterken” [cursivering toegevoegd, A-G], en voorts “wat er zij van de gunstige effecten op de onderneming als geheel op de langere duur”), begrijp ik het hof in rov. 3.3, slotzin tussenarrest aldus dat met dat voornaamste doel van het verhogen van de winstgevendheid, terwijl de continuïteit van HAB/de onderneming op korte termijn niet is bedreigd, hier geen voldoende zwaarwegend bedrijfsbelang aanwezig is, en aldus “geen afdoende legitimering” zoals bedoeld in art. 7 lid Pro 1, aanhef en onder c Wgbl (in de zin van een legitiem doel), wat insluit dat mogelijke gunstige effecten van het vertrek van de oudere partners op de onderneming als geheel op de langere duur, hetgeen hoogstens een secundair doel is (nu “het voornaamste doel” eruit bestaat “de winstgevendheid van HAB voor de overblijvende (jongere) partners op korte termijn te versterken”), als factor onvoldoende gewicht in de schaal legt om wel zo’n afdoende legitimering te kunnen opleveren.
noodzakelijkmiddel als bedoeld in art. 7 lid Pro 1, aanhef en onder c Wgbl. Ik memoreer dat sprake is van cumulatieve eisen. Zie ook daarvoor onder 3.11-3.12 hiervoor. Kortom, dat sprake geweest zou (kunnen) zijn van een legitiem doel, laat onverlet dat in casu hoe dan ook niet voldaan wordt aan de noodzakelijkheidstoets van art. 7 lid Pro 1, aanhef en onder c BW, zodat HAB hoe dan ook geen belang heeft bij dit sub-subonderdeel.
onderdeel 7, en gegeven de uiteenzettingen onder 3.29-3.45 hiervoor, waarmee ook is verworpen de klacht van HAB in dat slot van onderdeel 7 voor zover gebaseerd op subonderdelen 3.3 en 4.1 t/m 4.3 (de daarin genoemde stellingen) [175] en aldus ook “de door HAB gestelde relevante omstandigheden” als bedoeld in onderdeel 7, behoeft nu alleen nog behandeling de klacht van HAB in dat slot van onderdeel 7 voor zover gebaseerd op subonderdelen 4.4 t/m 4.6 (de daarin genoemde stellingen) en aldus ook “de door HAB gestelde relevante omstandigheden” als bedoeld in onderdeel 7. Ik kan over dit laatste nu kort zijn.
Ad 3.4 en 3.5
zakelijke rechtvaardigingals bedoeld in art. 7 WGBLA Pro oplevert.”
directe) leeftijdsonderscheid aanvoert, niet valt binnen de grenzen van wat Art. 7 van Pro die wet toestaat.”
afwijzenvan een nadere conclusie of akte” [194] [cursivering in origineel, A-G]. Tegen deze achtergrond bezien, kom ik tot de conclusie dat de onderhavige beslissing niet een (zuivere) rolbeschikking is. HAB is in zoverre dus ontvankelijk in haar klachten tegen de beslissing (van de rolraadsheer) van het hof tot afwijzing van het zijdens HAB gedane verzoek om te mogen reageren op de op 12 maart 2019 genomen akte van [verweerders] , althans tot het geen gelegenheid meer geven voor een reactie op deze akte.
Deze jaarrekening is overigens nog steeds niet beschikbaar gesteld door HAB aan [verweerders].
HAB weigert een nadere toelichting op en inzicht in de samenstelling van het voortdurende lager worden resultaat over 2017 te geven.
weigert HAB ondanks herhaald verzoek daarop[op afboekingen onderhanden werk 2017, A-G]
een toelichting te geven.”
(…)
[H]et feit dat zij vanaf 01 januari 2017 nog geen euro van HAB hebben ontvangen ten titel van goodwill of terugbetaling van kapitaal, waar zij zonder meer aanspraak op hebben, spreekt boekdelen. [verweerder 3] en [verweerder 4] zitten al 4 maanden zonder inkomen.”
4.3 De denklijn is dat over de jaren 2017/2018/2019 een compensatie wordt betaald en per 1 januari 2020 de goodwillbetalingen ingaan. In ieder geval moet de invloed van de compensatie de hoogte van de goodwillbetalingen aan [verweerder 3] en [verweerder 4] niet raken.
7.1 [verweerder 3] en [verweerder 4] hebben een aanspraak op goodwillbetalingen (215%) die in de normale situatie (zonder AVA-besluit) ingaan op 01 januari 2020. Als deze (noodgedwongen) drie jaar eerder moeten ingaan, te weten op 01 januari 2017 dan lijden [verweerder 3] en [verweerder 4] schade omdat de partnerinkomsten (waar de goodwillbetalingen op zijn gebaseerd) in 2020 en volgende jaren hoger zijn. [verweerder 3] en [verweerder 4] ontvangen minder aan goodwillbetalingen als deze reeds ingaan op 01 januari 2017. Deze schade is berekend op € 196.000,- (…).”
(…)
15. [verweerder 3] en Van de claimen, zoals hierboven is uiteengezet, ten onrechte compensatie ingevolge “goodwillschade” ten bedrage van € 196.000,- per persoon. Los daarvan volgt uit Hoofdstuk 7.4 van de rapportage van Mazars dat de geclaimde goodwillschade nihil is en daarom niet relevant is.”