Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
grief 1 in principaal hoger beroepheeft de kantonrechter ten onrechte aan BAM de gelegenheid gegeven haar verzoek in te trekken. In de toelichting op deze grief heeft [verzoeker] betoogd dat ‘vergoeding’ in de zin van artikel 7:686a lid 6 BW uitsluitend ziet op een billijke vergoeding en niet op een transitievergoeding. [verzoeker] heeft daartoe verwezen naar wat daarover is geschreven in de literatuur. Voorts heeft hij gewezen op de systematiek van de wet waarin volgens hem geen intrekkingsmogelijkheid past bij toekenning van (enkel) een transitievergoeding. De grief faalt om de volgende redenen.
Alvorens een ontbinding als bedoeld in artikel 67Ib of 671c waaraan een vergoeding verbonden wordt, uit te spreken, stelt de rechter de partijen van zijn voornemen in kennis en stelt hij een termijn, binnen welke de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken. Indien de verzoeker dat doet, zal de rechter alleen een beslissing geven omtrent de proceskosten.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
NJ2017/203) volgt volgens het hof dat het uitgangspunt van de Hoge Raad lijkt te zijn dat het geven van een voorwaardelijke beschikking mogelijk is tenzij het systeem van de Wwz zich daartegen verzet. Voor zover dit oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat uit de Mediant-beschikking volgt dat het de rechter vrij zou staan om onder de Wwz op eigen initiatief een voorwaardelijke beschikking te wijzen, lijkt mij dit niet juist.
NJ1984/296) waarin de Hoge Raad oordeelde dat na een gegeven ontslag op staande voet de werkgever in het algemeen een gerechtvaardigd belang heeft bij het vragen een voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, namelijk voor het geval de arbeidsovereenkomst niet blijkt te zijn geëindigd door het aan de werknemer op staande voet gegeven ontslag. [36]
Stb.2014, 216 (zie voor de invoeringsdatum
Stb.2014, 274) blijkt niet met zoveel woorden of, en zo ja onder welke voorwaarden, deze naar oud recht bestaande praktijk [van het indienen van een voorwaardelijke verzoek tot ontbinding door de werkgever voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd, A-G] naar het thans geldende recht in stand kan blijven. De WWZ sluit dat evenwel niet uit. De verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (art. 7:671b en c BW) en tot vernietiging van het ontslag op staande voet (art. 7:681 in Pro verbinding met art. 7:677 BW Pro) betreffen immers onderscheiden rechtsfiguren waarvan de toepasselijkheid niet aan dezelfde voorwaarden is gebonden en die evenmin leiden tot hetzelfde rechtsgevolg. Zij kunnen dus in beginsel naast elkaar worden gedaan.
NJ1980/464 (Theelen/Schatorje), waarin Heemskerk over de toelaatbaarheid van voorwaardelijke vonnissen onder meer het volgende aangeeft:
Kamerstukken II2013/14, 33818, 3, p.120). Hieruit leid ik voor het in cassatie voorliggende geval indien de klacht van het eerste onderdeel zou slagen en de bestreden beschikking van het hof wordt vernietigd, af dat het hof alsnog een datum moet vaststellen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Ik meen dat hier analoge toepassing van artikel 7:683 lid 5 BW Pro uitkomst zou kunnen bieden. Dat artikel gaat uit van de situatie dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is afgewezen en de arbeidsovereenkomst in eerste instantie is voortgezet. Het hof dient een (toekomstige) tijdstip vast te stellen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Deze situatie is vergelijkbaar met de situatie waarin [verzoeker] zich thans bevindt. Vanwege de intrekking is de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] immers voortgezet, terwijl deze had moeten eindigen.