Conclusie
eerste middelbehelst ten eerste de klacht dat het hof het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige [betrokkene 1] ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
tweede middelkeert zich tegen het oordeel van het hof dat hetgeen de betrokkene als directeur van [A] heeft verdiend als wederrechtelijk verkregen voordeel is aan te merken.
derde middelbehelst de klacht dat de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed, nu het hof heeft vastgesteld dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit de in zijn strafzaak bewezen verklaarde feiten, terwijl bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook voordeel is betrokken dat ziet op de periode voorafgaand aan die waarover de bewezenverklaring zich uitstrekt.