Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof het vonnis van het Gerecht niet had mogen bevestigen omdat het Hof tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan het Gerecht, zodat slechts vernietiging in aanmerking kwam.
welke beslissingen zich wel lenen voor bevestiging [5] alsmede welke gronden kunnen worden overgenomen dan wel moeten worden verbeterd of moeten worden vervangen door andere gronden."
voor zoverhet hof zich niet kan verenigen met door de eerste rechter op de voet van art. 358 in Pro verbinding met de art. 348 en Pro 350 Sv genomen beslissingen. Dat zijn de beslissingen inzake de geldigheid van de inleidende dagvaarding, de bevoegdheid van de eerste rechter tot kennisneming van de zaak, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dan wel de aanwezigheid van redenen voor schorsing van de vervolging, en voorts de beslissingen over de vraag of de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte alsmede de oplegging van straf en/of maatregel.
voor zoverhet Hof wat betreft op de voet van art. 358 in Pro verbinding met de art. 348 en Pro 350 Sv te nemen beslissingen, tot een ander oordeel komt dan de eerste rechter. Dat betekent voor de onderhavige zaak dat na een wijziging zoals het Hof hier heeft aangebracht in de bewezenverklaring van het onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde, een vonnis
in dat opzichtniet vatbaar is voor bevestiging. De middelen klagen daarover echter niet."
tweede middelklaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten – kort gezegd - door in de bewezenverklaring op te nemen dat ook de beveiliger voor de juwelierszaak is bedreigd.
derde middelklaagt over het bewijs. Uit de bewijsmiddelen is niet af te leiden dat door een van de overvallers een vuurwapen is getoond en voorgehouden aan de persoon of personen die in juwelierszaak aanwezig waren en evenmin dat dat zou zijn gedaan met het oogmerk de diefstal gemakkelijk te maken. Van de overvaller die het wapen in de hand had blijkt niet dat hij met dat wapen jegens de aanwezige personen enigerlei handeling heeft verricht. Evenmin kan blijken dat een hamer gebruikt is om te dreigen. Het kapot slaan met een hamer van de vitrinekasten levert geen bedreiging van personen op maar verbreking. Evenmin is als een bedreiging met geweld jegens personen op te vatten het onverhoeds binnenkomen met afgedekt gelaat.
vierde middelkeert zich tegen het gebruik van het resultaat van het DNA-onderzoek voor het bewijs. Niet is vastgesteld dat verdachte of een andere van de daders gewond is geraakt tijdens de overval. Bovendien hebben de verbalisanten een ontoelaatbare conclusie getrokken, te weten dat verdachte blijkens dat resultaat van het DNA-onderzoek overal is geweest in of in de nabijheid van de ingeslagen vitrinekasten.
vijfde middelklaagt over een schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Verdachte heeft op 1 november 2016 cassatie doen instellen en eerst op 24 mei 2017 zijn de stukken ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.