Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
BNB1981/127 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de verplichting persoonlijk arbeid te verrichten aldus dient te worden uitgelegd dat in
feitepersoonlijke arbeid wordt verricht: [14]
BNB1998/185 waarin de Hoge Raad had geoordeeld dat de bij een bloembollenkweker werkzame bij haar in dienstbetrekking zijn: [17]
TFOheeft
Mertenseen vergelijking tussen het civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke loonbegrip gemaakt: [19]
BNB1954/316 heeft de Hoge Raad omtrent de ‘instructiebevoegdheid’ van de werkgever geoordeeld: [23]
Heerma van Vossover de verplichte aanwezigheid van een gezagsrelatie geschreven: [26]
in dienst’ wordt als regel gelijkgesteld met de aanwezigheid van een gezagsverhouding.
5.Gelijkheidsbeginsel
Belastingdienst en de prostitutiebranche
NTFRbecommentarieerde het antwoord van de staatssecretaris van Financiën als volgt: [33]
Tijdschrift Formeel Belastingrechtheeft
Poelmanndienaangaande geschreven (voetnoten weggelaten): [38]
NTFRopenlijk afgevraagd wat voor afspraken de Belastingdienst met individuele ondernemingen heeft gemaakt: [39]
alle nog openstaande fiscale kwesties of invorderingszaken die bij aanvang van het HT-traject al bekend zijn bij zowel de organisatie als de Belastingdienst. Het zijn kwesties die werken in de actualiteit belemmeren en een soepele samenwerking kunnen frustreren.” [44] Het is daarbij opvallend dat de Leidraad 2013 ervan lijkt uit te gaan dat enkel gezamenlijk bekende zaken als lopende problematiek kunnen
lijken uit de kastkomen, zou dit voor de Belastingdienst een reden kunnen zijn om het convenant op te zeggen, omdat hij dan gaat twijfelen aan het gerechtvaardigd vertrouwen in zijn convenantpartner. Ook zou hij voor de geconstateerde
oudeovertredingen een boete kunnen opleggen. Het een en ander gaat in mijn optiek overigens niet zover dat de Belastingdienst correcties en boeten kan opleggen voor tijdvakken die buiten het bestek van de wettelijke termijnen vallen.
BNB1979/211 heeft de Hoge Raad gewag gemaakt van de voorrangsregel van het begunstigende (niet) gepubliceerde beleid: [51]
BNB2004/392 geoordeeld: [53]
BNB1994/109: [54]
BNB2011/19 kan worden afgeleid dat de inwerkingtreding van artikel 3 AWR Pro (landelijke competentie Inspecteur) nog niet met zich heeft gebracht dat voornoemd criterium geen opgeld meer doet: [56]
Happékunnen uit de voorrangsregel van het begunstigende (niet) gepubliceerde beleid vier criteria worden gedestilleerd: [58]
HR 22 juni 1988, nr. 24 592, BNB 1988/259 (concl. Van Soest, noot Van Dijck)aftrek van consumptiekosten tijdens werktijd toegestaan op grond van het gelijkheidsbeginsel: een vergoeding voor het betalen van een consumptie werd in de voor de toepassing van de beleidsregel relevante (feitelijke) opzichten vergelijkbaar geacht met het zelf moeten dragen van de uitgave.
A-G Niessenover de vrijstelling van de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen zoals die op grond van art. 40 Gw Pro voor de Koning geldt. [63] Een vraag is dan of belanghebbende rechtens en feitelijk in eenzelfde situatie verkeert.
A-G Niessenconcludeerde dat daarvan geen sprake is omdat de vrijstelling is beperkt tot de inkomsten en vermogensbestanddelen die verbonden zijn met de uitoefening van het Koningschap. In
HR 18 maart 2016, nr. 15/02213, V-N Vandaag 2016/601 is het beroep in cassatie van belanghebbende onder verwijzing naar de conclusie van de A-G afgewezen.
HR 22 november 2013, nr. 13/01154, V-N 2013/59.21met betrekking tot de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in het zogenoemde
BOF-arrest geoordeeld dat als de voor de specifieke heffing(swet) relevante kenmerken gelijk zijn, in dat geval al wat krachtens erfrecht respectievelijk door schenking wordt verkregen, sprake is van gelijke gevallen (
equality before the law). Een verschil in behandeling tussen verkrijgingen van ondernemingsvermogen en van andersoortige vermogensbestanddelen behoefde daarom rechtvaardiging. Wij menen dan ook dat daarmee de bij de Commissie fiscaal toezicht op maat levende vraag of belastingplichtigen met of zonder een horizontaal toezichtsconvenant gelijke gevallen zijn, beantwoord lijkt, nu de wet dit onderscheid niet maakt. [64]
HR 26 maart 1997, nr. 30 454, BNB 1997/186 (noot J.W. Zwemmer), FED 1997/422 (aant. J.A. Smit)waarin de Hoge Raad oordeelde dat de enige reden voor het begunstigend beleid inzake de waardering van landbouwgronden bij de heffing van successierechten was gelegen in de wens om bedrijfsopvolging in de agrarische sector binnen de familie te vergemakkelijken en dat zulks dan ook dient te gelden bij de overgang tegen lagere waarde van het bedrijf naar een verdere verwant of een niet-verwant. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd hierbij gehonoreerd met de redengeving dat sprake was van gelijke relevante wettelijke bepalingen voor de betrokkenen en gelijke financieringsproblemen die alleen konden worden opgelost door een lagere waardering van de gronden.
HR 21 december 2007, nr. 42 299, BNB 2008/98 (noot A.O. Lubbers)waarin werd geoordeeld dat er, gelet op de strekking van het goedkeurend beleid, rechtens een relevant verschil bestaat tussen de afkoop en de nakoming van een optieverplichting.
HR 10 augustus 2007, nr. 43 651, BNB 2008/4 (concl. Wattel, noot M.W.C. Feteris)(Vinkenslagarrest) waarin werd geoordeeld dat geen relevantie had mogen worden toegekend aan de met woonwagenbewoners gemaakte afspraken voor wat betreft de heffing van belastingen. [67] Een beroep op een gelijke begunstigende behandeling bracht in dat geval niet mee dat de begunstigende behandeling van de beperkte groep werd uitgebreid tot anderen, maar bracht integendeel teweeg dat de onrechtvaardig geachte bevoordeling moest worden gestaakt. Indien is geoordeeld dat een dergelijk beleid moet worden beëindigd, kunnen andere belastingplichtigen (ook) voor het verleden geen beroep doen op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot diezelfde kwestie. Hetzelfde heeft ons inziens te gelden indien de inspecteur zelf tot het inzicht is gekomen dat het gevoerde beleid een ongerechtvaardigde bevoordeling inhoudt c.q. anderszins niet meer dient te worden voortgezet. In verband met eventueel gewekt vertrouwen dient dit beleid dan wel duidelijk kenbaar ingetrokken of beëindigd te worden. Zie FBR.4.3.2.F. Zolang beleid dat ongerechtvaardigde bevoordelingen inhoudt niet daadwerkelijk wordt gestaakt blijft ons inziens de mogelijkheid bestaan een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel, zelfs indien is aangekondigd dat het beleid zal worden gestaakt maar daar geen uitvoering aan wordt gegeven. Dit kan anders zijn indien aan de betrokkenen een redelijke overgangstermijn moet worden gegund. [68]
Feteris, met zich brengen dat een beroep kan worden gedaan op een vaststellingsovereenkomst van een andere onderneming: [69]
6.Beoordeling van de beroepen
Inleiding
BNB1981/127 [75] en HR
BNB2017/15 [76] geoordeeld dat de ‘persoonlijke arbeidsverplichting’ aldus moet worden uitgelegd dat in feite persoonlijk arbeid wordt verricht. Het is naar het oordeel van de Hoge Raad derhalve niet noodzakelijk dat de werknemer zich daartoe heeft verbonden. Ook heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, wanneer een werknemer alle bedongen werkzaamheden door anderen mag laten verrichten, geen sprake meer is van een arbeidsovereenkomst. [77]
BNB1998/185 [79] , inzake een bloembollenkweker die seizoenwerkers in dienst had, volgt dat het ontbreken van een vergoeding indien niet (kwalitatief) voldoende arbeid wordt verricht, niet aan het bestaan van een dienstbetrekking in de weg hoeft te staan.
BNB1998/185).
BNB2014/235 [81] ).
Oenemaheeft in haar dissertatie geconstateerd dat harde bewijzen ten aanzien van privileges voor (beoogde) convenant-belastingplichtigen ter afwikkeling van het verleden ontbreken. [96]