ECLI:NL:PHR:2018:491

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 maart 2018
Publicatiedatum
23 mei 2018
Zaaknummer
16/04704
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Sv (oud)Art. 48 SvArt. 51 Sv (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over doorzendplicht bij abusievelijk verzonden stelbrief door raadsman

In deze zaak stond de vraag centraal of een door een raadsman abusievelijk aan de strafgriffie van een ander gerecht dan het behandelend gerecht verzonden stelbrief, op grond van het oude art. 39 Sv Pro, door de ontvangende strafgriffie moet worden doorgezonden naar het juiste gerecht. De raadsman had zijn stelbrief gericht aan het hof Arnhem-Leeuwarden gestuurd, terwijl de zaak in hoger beroep bij het hof Den Haag lag.

De Hoge Raad overwoog dat de regel dat een brief van een verdachte die aan het verkeerde justitiële adres wordt gestuurd, moet worden doorgezonden, niet automatisch geldt voor een stelbrief van een raadsman. Vanwege de professionele rol van de advocaat wordt verwacht dat hij de juiste administratieve weg bewandelt. Daarom is er geen doorzendplicht voor de strafgriffie wanneer een stelbrief abusievelijk naar het verkeerde gerecht wordt gestuurd.

Het middel dat op deze grond was ingesteld, faalde en werd verworpen. De Hoge Raad vond geen aanleiding om de bestreden uitspraak te vernietigen. De verdachte was door het hof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat geen doorzendplicht geldt voor abusievelijk naar het verkeerde gerecht verzonden stelbrieven door raadsman.

Conclusie

Nr. 16/04704
Zitting: 27 maart 2018 (bij vervroeging)
Mr. P.C. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 10 juni 2016 door het hof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelklaagt over schending van - naar ik begrijp - art. 51
oudSv omdat de raadsman niet onverwijld een afschrift van de processtukken is toegezonden. [1]
4. Aan de cassatieschriftuur is een afschrift gehecht van een faxbericht met bijbehorend transactierapport van 6 januari 2016 van mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam, aan de strafgriffie van het hof Arnhem-Leeuwarden. Dit bericht houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"Betreft: [verdachte] / OM - hoger beroep
Onze ref.: NO/16.01/010
Uw ref.: 96/112042-15
Geachte heer, mevrouw,
Hierbij wens ik mij te stellen als raadsman van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats].
Ik moge u hierdoor vriendelijk verzoeken de processtukken zo spoedig mogelijk aan mij te doen toekomen.
Vertrouwende u hiermede naar behoren te hebben geïnformeerd en in afwachting van uw spoedige berichten.”
5. Uit het transactierapport kan worden afgeleid dat het bericht op “06/jan/2016” om “14:28” is verstuurd naar het faxnummer “00883610089”, zijnde het faxnummer van de strafgriffie van het hof Arnhem-Leeuwarden. Dit biedt voldoende grond voor het ernstig vermoeden dat de stelbrief ter griffie van het hof Arnhem-Leeuwarden is ontvangen. [2]
6. Gelet op het toen geldende artikel 39 Sv Pro [3] diende de raadsman zijn stelbrief aan de griffier van het behandelend gerecht te richten. Nu de zaak aanhangig was bij het hof Den Haag heeft de raadsman zijn stelbrief naar het verkeerde hof gestuurd. Volgens de steller van het middel heeft dit echter niet tot gevolg dat hij zich niet heeft gesteld. Voor gerechtshoven zou namelijk een doorzendplicht gelden wanneer een stelbrief naar het verkeerde hof is toegestuurd.
7. Bij het op de juiste wijze instellen van een rechtsmiddel wordt de verdachte geholpen, maar de raadsman niet. [4] Vanwege zijn rol als professionele rechtsbijstandverlener mag immers worden verwacht dat een advocaat voor het instellen van een rechtsmiddel de juiste administratieve weg weet te bewandelen. [5] Niet valt in te zien waarom dit voor het versturen van een stelbrief anders zou zijn.
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Met ingang van 1 maart 2017 is de regel van het toezenden van processtukken aan de raadsman te vinden in art. 48 Sv Pro (Wet van 20 februari 2017, Stb. 2017/66). In de schriftuur wordt de klacht gestoeld op die bepaling en dat is niet juist, maar ook niet fataal omdat de inhoud van de regel van art. 51 oud Pro Sv is behouden in het gewijzigde art. 48 Sv Pro.
2.HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924,
3.Met ingang van 1 maart 2017 (Wet van 20 februari 2017, Stb. 2017/66) is art. 38 Sv Pro van toepassing. Zie daaromtrent HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2250.
4.Zie HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:856. Hoewel een doorzendplicht geldt wanneer de verdachte aan het verkeerde (justitiële) adres een brief verstuurt waaruit blijkt dat hij een rechtsmiddel wil aanwenden, heeft de Hoge Raad niet een doorzendplicht willen aannemen indien de raadsman een dergelijke brief naar het verkeerde adres verstuurt.
5.Zie in dit kader ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld bij HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1178 (ECLI:NL:PHR:2016:480).