Conclusie
[verweerder 1]
[verweerster 2],
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
betaald, zodat geen sprake is van een rechtsgeldige koop.
Onderdeel 1.2vervolgt met de klacht dat het hof het bestaan van de gestelde koopovereenkomst aldus niet zonder (nadere) bewijslevering door [verweerder 1] en [verweerster 2] of tegenbewijslevering door [verzoekster] kon aannemen.
Onderdeel 1.3klaagt – in dit verband [6] – dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan het in hoger beroep niet prijsgegeven bewijsaanbod in de CvA in tussenkomst d.d. 7 augustus 2012, nr. 42 [7] .
onderhandseakte. Daarmee is het hof buiten de rechtsstrijd getreden, omdat geen van partijen dat standpunt heeft ingenomen, aldus de klacht.
niet heeft gesteld of aangetoonddat zij het onafgebroken bezit heeft gehad van het onroerend goed gedurende de afgelopen tien jaren.
onderdeel 2.3heeft het hof miskend dat aan het oordeel dat [verweerster 2] tien jaren bezitter was in de weg staat dat ([verzoekster] er met recht vanuit is gegaan dat) [verweerder 1] zich als bezitter van de onroerende zaak heeft gedragen, althans is zijn andersluidend oordeel in het licht van de stellingen van [verzoekster] ontoereikend gemotiveerd.
onderdeel 3.2is de verwijzing naar de in rov. 3.9 aangehaalde afscheidsbrief van de vrouw onbegrijpelijk, omdat daaruit niet volgt dat de vrouw van het eigendomsrecht van [verweerster 2] op de hoogte is.
onderdeel 4.1heeft het hof zijn uit art. 156 lid 2 Rv Pro (NL) voortvloeiende verplichting geschonden om na te gaan of de overgelegde documenten daadwerkelijk authentieke akten zijn.
Onderdeel 4.2acht met name de kwalificatie van het document uit 1998 (prod. 5) als testament onbegrijpelijk, omdat een voorblad, een dagtekening op de eerste pagina en een gewaarmerkte stempel op de laatste pagina ontbreken.
onderdeel 6.1). Uit de brief blijkt voorts niet van een bezitsdaad van [verweerster 2] (
onderdeel 6.2). Het hof is ten onrechte niet op het verweer van [verzoekster] [13] dienaangaande ingegaan (
onderdeel 6.3).
1996te zien in het licht van de door [verweerder 1] en [verweerster 2] gestelde volmacht [14] , nu die volmacht immers pas geldt vanaf
1998.