Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer ten aanzien van de schending van de redelijke termijn.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, waarin de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden wegens diefstal door twee of meer verenigde personen met braak.
De verdediging had in hoger beroep aangevoerd dat de redelijke termijn was overschreden, aangezien de zaak uit maart 2013 stamde en het meer dan twee jaar duurde voordat het hoger beroep werd behandeld. Het hof had op dit verweer niet met redenen omkleed beslist, wat volgens de advocaat-generaal een schending van het recht op een redelijke termijn oplevert.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof op straffe van nietigheid een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing had moeten geven op het verweer over de redelijke termijn, wat niet is gebeurd. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep leidt doorgaans tot strafvermindering.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafoplegging en vermindert de straf, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging gevonden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor wat betreft de strafoplegging en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.