Conclusie
middelklaagt over de motivering van de strafoplegging.
Procesgang
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte vrijgesproken van het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde feit en de straf voor de onder 2 primair en 3 subsidiair bewezen verklaarde feiten bepaald op twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De verdachte had hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, maar dit hoger beroep werd beperkt tot het onder 4 ten laste gelegde feit en enkele vorderingen. Het hof paste artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering toe om de straf voor de niet aan het hoger beroep onderworpen feiten te bepalen, zonder deze opnieuw op te leggen.
De verdachte stelde in cassatie dat de motivering van de strafoplegging onvoldoende was, maar de Hoge Raad verwierp dit middel. De Raad benadrukte dat art. 423 lid 4 Sv Pro een regeling is voor het bepalen van de straf bij samenloop van feiten en dat daarbij geen nieuwe omstandigheden mogen worden betrokken die niet in eerste aanleg aan de orde waren. De motiveringseisen van art. 359 Sv Pro zijn niet van toepassing op deze strafbepaling.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de rechtspraak dat bij toepassing van art. 423 lid 4 Sv Pro geen sprake is van een strafoplegging in de zin van art. 359 Sv Pro, en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: De verdachte is vrijgesproken van feit 4 en de straf voor feiten 2 en 3 is bepaald op twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk.