Conclusie
1.Feiten en procesverloop
kruisbandoperatie/reconstructie, 9-2001 t/m 1-1-2002, kijkoperatie knie”.
Voor arbeidsongeschiktheid door of verband houdende met aandoeningen, klachten en/of letsels aan de rechter knie bestaat geen recht op uitkering nadat verzekerde de 55-jarige leeftijd heeft bereikt".
zeer ernstige hoofdpijn en zeer ernstige pijn achter de schouderbladen (laag gedeelte)". Bij keuring door Delta Lloyd is hij 100% arbeidsongeschikt verklaard. Delta Lloyd heeft met ingang van 20 juli 2009 uitgekeerd onder de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
er sprake is van aandoeningen die een verhoogd arbeidsongeschiktheidsrisico met zich meebrengen en bij een zwaar lichamelijk beroep niet door middel van een uitsluiting of verhoging kunnen worden gecompenseerd”.
Hotel Wilhelmina-arrest van 19 mei 1978 (ECLI:NL:HR:1978:AC6258) geïntroduceerd, ook het uitgangspunt is voor de regeling ex artikel 7:928-931 BW. In dit arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat het beroep van de verzekeraar op (het toen geldende) artikel 251 Wetboek Pro van Koophandel slechts kan slagen indien hij, als redelijk handelend verzekeraar, ware hij bekend geweest met de verkeerdheid van de opgave de overeenkomst, niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben aangegaan. Uit dit arrest kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat deze beoordeling in algemene zin geheel of gedeeltelijk moet worden geabstraheerd van de concrete acceptatiecriteria van de betreffende verzekeraar (daar ging het betreffende geschil ook niet over), maar wel dat bij de beoordeling van het optreden van een verzekeraar betekenis dient te worden toegekend aan hetgeen van een ‘redelijk handelend verzekeraar’ mag worden verwacht. Niet is gebleken dat de wetgever van het voorgaande is afgeweken bij de invoering van de artikelen 7:929 lid 2 en 7:930 lid 4 BW.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
kennisvereiste: de mededelingsplicht ziet slechts op feiten die verzekeringnemer kent of behoort te kennen. Bij de beantwoording van de vraag welke feiten een verzekeringnemer behoort te kennen moet worden uitgegaan van een behoorlijk en zorgvuldig verzekeringnemer en moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. [11]
kenbaarheidsvereiste: de mededelingsplicht ziet slechts op feiten waarvan de verzekeringnemer weet of behoort te begrijpen dat deze relevant zijn of kunnen zijn voor de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten. Voor hetgeen de verzekeringnemer behoort te begrijpen geldt dezelfde maatstaf als onder (i).
verschoonbaarheidsvereiste: de mededelingsplicht heeft geen betrekking op feiten die de verzekeraar reeds kent of behoort te kennen, met dien verstande dat de verzekeringnemer (of de derde als bedoeld in lid 2 of lid 3) zich daar niet op kan beroepen indien een daarop gerichte vraag onjuist of onvolledig is beantwoord (tweede zin van lid 4).
relevantievereiste: de mededelingsplicht betreft niet feiten die niet voor een tot de verzekeringnemer ongunstiger beslissing zouden hebben geleid.
de verzekeraarof, en zo ja, op welke voorwaarden,
hijde verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. Daarmee lijkt op het eerste gezicht het individuele acceptatiebeleid van de betrokken verzekeraar beslissend te zijn en niet de maatstaf van de redelijk handelend verzekeraar. [31]
tochaan op het acceptatiebeleid van de redelijk handelde verzekeraar of op het beleid van de individuele verzekeraar?
anders dan andere verzekeraarswaarde hecht aan mededeling van bepaalde feiten. [38]
watdit beleid inhoudt, of moet (ii) ook kenbaar zijn
datdit beleid afwijkt van dat van de maatman-verzekeraar? Ik bespreek dit punt volledigheidshalve.
wathet acceptatiebeleid van de individuele verzekeraar is. Dit rechtvaardigt dat de verzekeringnemer die zijn mededelingsplicht schond, kan worden tegengeworpen dat
dezeverzekeraar het risico niet zou hebben geaccepteerd (ook al zou de maatman-verzekeraar dat wel hebben gedaan). Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het belang van de verzekeringnemer, dat hij niet wordt geconfronteerd met een acceptatiebeleid dat afwijkt van het acceptatiebeleid van de maatman-verzekeraar en waarmee hij geen rekening behoeft te houden indien dat niet aan hem is duidelijk gemaakt. Dat dit belang van de verzekeringnemer bescherming verdient, ook indien hij (wellicht te goeder trouw) zijn mededelingsplicht heeft geschonden (en zolang hij maar geen opzet had tot misleiding) is naar mijn mening overtuigend beargumenteerd door A-G Ten Kate in zijn conclusie voor het Hotel Wilhelmina-arrest (zie bij 2.15). Ook de verzekeraar dient met dit belang van zijn wederpartij rekening te houden en kan dat ook doen, door waar nodig duidelijkheid te verschaffen over zijn individuele acceptatiebeleid.
dathet acceptatiebeleid van de individuele verzekeraar afwijkt van dat beleid van de maatman-verzekeraar. Verzekeringnemers hebben uiteraard in het algemeen gesproken belang bij transparantie van het aanbod van de verschillende verzekeraars op de markt, maar het verzwijgingsleerstuk dient er niet toe om bij te dragen aan verwezenlijking van dat belang. Bovendien zou het stellen van deze eis, zoals in de literatuur is opgemerkt (zie bij 2.22.3), de individuele verzekeraar kunnen nopen tot het verstrekken van informatie aan het aspirant-verzekeringnemers die zijn marktpositie aantast. Het is nogal een verschil of men aan het publiek mededeelt geen rieten daken tegen brand te verzekeren, of dat daaraan moet worden toegevoegd ‘zulks in afwijking van de redelijk handelend verzekeraar’. Daar komt bij, zo dunkt mij, dat het lastig zal zijn de onder (ii) bedoelde eis te operationaliseren, omdat zij verzekeraars ertoe zou kunnen nopen om gedetailleerd ex ante aan te geven in hoeverre hun individuele beleid afwijkt van beleid van de maatman-verzekeraar. Het antwoord op die vraag is immers, zo leert de rechtspraktijk, niet steeds eenvoudig te geven. Hoewel de bij 2.20 geciteerde passage taalkundig de indruk zou kunnen wekken dat over het voorgaande anders gedacht zou moeten worden en de literatuur daarvoor enige steun biedt (zie bij 2.22.3), onderschrijf ik het standpunt van Delta Lloyd (s.t. nr. 5.49) dat vereiste (ii) niet kan worden gesteld.
‘als redelijk handelend verzekeraar’moet niet in algemene zin geheel of gedeeltelijk worden geabstraheerd van de concrete acceptatiecriteria van de betreffende verzekeraar, maar dient bij de beoordeling van het optreden van de verzekeraar betekenis te worden toegekend aan hetgeen van
een ‘redelijk handelend verzekeraar’mag worden verwacht (rov. 3.6). Het staat Delta Lloyd in beginsel vrij om bij een verzekering als de onderhavige het door haar gestelde beleid te volgen (rov. 3.9).
van een redelijk handelend verzekeraar’, dus als de maatman-verzekeraar, en anderzijds het handelen ‘
als redelijk handelend verzekeraar’. [53] Ik zal deze terminologie niet gebruiken, omdat zij al een bepaalde invulling geeft aan de formulering van het Hotel Wilhelmina-arrest waarvan nog moet worden onderzocht of zij aanvaardbaar is. Ik spreek verder van de (per definitie redelijke)
maatman-verzekeraaren de
redelijke individuele verzekeraar.
maatman-verzekeraaren de
redelijke individuele verzekeraarvoorop staan.
zou zijngenomen en niet welk besluit had kunnen worden genomen, en dat bij dwaling beslissend is of de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken
niet zou zijn gesloten. Volgens Delta Lloyd is van belang dat de regeling van de mededelingsplicht van de verzekerde een specialis is van de (in verzekeringsrechtelijke verhoudingen op grond van art. 7:931 BW Pro niet inroepbare) algemene bedrog- en dwalingsbepalingen.
Subonderdeel 1.1klaagt dat rov. 3.6 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Deze klacht wordt nader toegelicht in de
subonderdelen 1.2-1.11. Uit die toelichting volgt dat het onderdeel in de kern klaagt dat het hof in rov. 3.6 ten onrechte heeft overwogen dat de aan te leggen toets een ‘integrale’ is waarbij weliswaar betekenis moet worden toegekend aan de maatstaf van ‘de redelijk handelend verzekeraar’, maar dat deze maatstaf niet bepalend is (zie m.n. subonderdeel 1.6).
subonderdeel 1.12brengt dit mee dat ook rov. 3.9 en 3.10 rechtens onjuist zijn, omdat het hof het handelen van Delta Lloyd had moeten toetsen aan het begrip ‘redelijk handelend verzekeraar’ in dezelfde zin zoals de rechtbank heeft gedaan (zie het tussenvonnis van 14 januari 2015, rov. 4.5).
onderdeel 1slaagt. Volgens de m.i. toepasselijke norm had het hof, zoals [eiser] in zijn appel centraal stelde, moeten toetsen wat de acceptatiebeslissing van de redelijk handelende verzekeraar zou zijn geweest. Blijkens de door onderdeel 1 bestreden overwegingen echter kan de individuele verzekeraar zijn eigen acceptatiebeleid volgen, ook wanneer dat afwijkt van dat van een redelijk handelend verzekeraar en ook indien dit beleid niet aan de verzekeringnemer kenbaar is gemaakt. Dit oordeel getuigt m.i. van een onjuiste rechtsopvatting.
Subonderdeel 2.2veronderstelt dat het hof in rov. 3.9 heeft geconcludeerd dat [eiser] moest begrijpen dat door Delta Lloyd een ander (en eigen) acceptatiebeleid werd gevoerd. Het verbindt daaraan een motiveringsklacht en een klacht over schending van art. 24 Rv Pro.
Subonderdeel 2.5bevat onder meer de klacht dat het hof had moeten toetsen of [eiser] behoorde te weten dat Delta Lloyd een acceptatiebeleid voerde dat afweek van de redelijk handelend verzekeraar. Dat was door Delta Lloyd niet gesteld. Het hof kon daarom niet tot de conclusie komen zoals het hof die trekt in rov. 3.9.
subonderdelen 2.2 en 2.5terecht over de motivering van dat oordeel en miskenning van de grenzen van de rechtsstrijd. In deze zaak staat niet ter discussie het oordeel van de rechtbank (zoals door mij begrepen, zie bij 2.56) [67] dat het acceptatiebeleid van Delta Lloyd niet voor [eiser] kenbaar was. Evenmin volgt dit naar mijn mening, zonder nadere motivering, uit de overweging van het hof dat [eiser] moest begrijpen dat de in de gezondheidsverklaring gevraagde informatie van belang was voor de beoordeling van het te verzekeren risico en voor de vraag of Delta Lloyd al dan niet bereid was dit risico te verzekeren. [68]
subonderdelen 2.2 en 2.5in zoverre feitelijke grondslag. Tegelijkertijd klaagt in dat geval de
subonderdeel 2.1terecht, in aansluiting op onderdeel 1, dat het hof kennelijk gewicht aan het eigen acceptatiebeleid van Delta Lloyd toekent, ook zonder dat is onderzocht of dit afwijkt van dat van de maatman-verzekeraar dan wel aan [eiser] kenbaar is gemaakt.
subonderdelen 2.3 en 2.4bevatten geen zelfstandige klachten en behoeven geen bespreking.