Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Den Haag,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
26 februari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen eiseres en Aegon Schadeverzekering N.V. over de weigering van een uitkering voor brandschade aan een chalet. Aegon beroept zich op verzwijging van een eerdere opzegging van een verzekering wegens een frauduleuze claim door eiseres, gebaseerd op art. 251 (oud) WvK. Eiseres had bij de aanvraag voor een nieuwe verzekering niet gemeld dat haar vorige verzekeraar RVS de verzekering had opgezegd vanwege fraude.
De rechtbank en het hof wezen de vorderingen van eiseres af en bevestigden dat zij opzettelijk had gehandeld om Aegon te misleiden. Tevens werd geoordeeld dat de assurantietussenpersoon, verweerder 2, niet tekort was geschoten in zijn zorgplicht omdat niet was vastgesteld dat hij bekend was met de redenen van de opzegging.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake zou zijn van opzet tot misleiding door eiseres en dat het bewijsaanbod van eiseres over acceptatie door andere verzekeraars ten onrechte is gepasseerd. Ook heeft het hof miskend dat de tussenpersoon bij bekendheid met de opzegging de achterliggende redenen had moeten navragen, ook als die niet expliciet aan hem waren medegedeeld.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof Den Haag en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelt de Hoge Raad Aegon en verweerder 2 in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof Den Haag en verwijst zaak naar hof Amsterdam wegens onvoldoende motivering over opzet en zorgplicht tussenpersoon.