Conclusie
1.Procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
de Ontvanger voor de toepassing van het pluraliteitsvereiste niet dient te worden beschouwd als een van de Staat te onderscheiden crediteur, c.q. dat een vordering van de Staat (Ministerie van Financiën, Belastingdienst) ter zake van een (vastgestelde) (rijks)belastingschuld niet kan dienen als steunvordering in het kader van een verzoek tot faillietverklaring door de Staat (in dit geval: het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid), en dus ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan het vereiste van pluraliteit van schuldeisers en daarmee ten onrechte op die grond de faillissementsaanvraag heeft afgewezen.
wélis voldaan aan het pluraliteitsvereiste, althans dat daaraan
onder omstandighedenvoldaan kan zijn. Van dergelijke omstandigheden zou sprake kunnen zijn als de twee betrokken onderdelen van de Staat
in organisatorische en/of begrotingstechnische zin voldoende zelfstandig ten opzichte van elkaar zijn, bijvoorbeeld doordat zij vallen onder de verantwoordelijkheid van verschillende ministers of (andere) bestuursorganen, en/of doordat zij ingevolge de Compatibiliteitswet 2016 of andere wetgeving onder een ander hoofdstuk van de rijksbegroting vallen, zoals in casu het geval is (verzoekschrift p. 2).
voldoende verwijderdvan elkaar zijn, het ene onderdeel een vordering van het andere onderdeel als steunvordering moet kunnen opvoeren. In elk geval zou dat zo moeten zijn wanneer een van beide vorderingen een
belastingschuldbetreft en de andere niet (zoals in deze zaak).
Titel 4.4 Awb (‘Bestuursrechtelijke geldschulden’)van toepassing is én het gaat om verplichtingen tot betaling aan
verschillende bestuursorganen, ook als die verschillende bestuursorganen civielrechtelijk zouden behoren tot dezelfde rechtspersoon (verzoekschrift p. 2, 1e volle alinea).
verschillende bestuursorganen als verschillende schuldeisers kwalificeren.Daartoe wordt gewezen op het schuldeisersbegrip uit het bestuursrecht zoals dit naar voren komt uit art. 4:85 lid 1 onder Pro a Awb (‘verplichting tot betaling aan of door een bestuursorgaan’) en uit het open systeem van art. 4:124 Awb Pro. Volgens de Staat biedt noch de wet, noch de wetsgeschiedenis, een aanknopingspunt om aan te nemen dat twee bestuursorganen die behoren tot dezelfde rechtspersoon niet samen een faillissement kunnen bewerkstelligen. De Staat maakt hierbij een vergelijking met een holding en een werkmaatschappij die, allebei deel uitmakend van één concern, wél samen een faillissement zouden kunnen aanvragen.
niet noodzakelijkis dat een faillissementscurator het vermogen van de schuldenaar
verdeelttussen verschillende onderdelen van de Staat onderling. In een geval zoals hiervoor bedoeld (waarin volgens de Staat wel aan het pluraliteitsvereiste wordt voldaan), moet die verdeling immers wél gemaakt worden. Althans is zonder nadere motivering onbegrijpelijk dat in omstandigheden als hiervoor bedoeld (zelfstandigheid in organisatorische en/of begrotingstechnische zin), zoals hier aan de orde, niet een dergelijke verdeling zou hoeven te worden gemaakt, aldus het middel (verzoekschrift p. 2, 2e alinea).
verdeling ook tussen bestuursorganen aangewezen. Reeds uit de Comptabiliteitswet 2016, op grond waarvan iedere minister een begroting moet opstellen, blijkt dat er binnen een rechtspersoon verdelingsvraagstukken zijn. Ter illustratie wordt voorts gewezen op rechtspraak van Uw Raad waaruit volgt dat de Staat aan de Ontvanger kan betalen en het betaalde van een derde kan terugvorderen. [8] In het verlengde van een dergelijke vermogensverschuiving moet ook onderlinge verdeling van het vermogen van een derde mogelijk kunnen zijn.
pluraliteit van schuldeisers, waarbij ten minste één van de vorderingen opeisbaar is. Bij de huidige stand van zaken behoeft een steunvordering niet opeisbaar te zijn, behoeft de omvang van de vordering niet vast te staan en behoeft die vordering geen betrekking te hebben op de betaling van een geldsom, maar is voldoende dat het gaat om een vordering die ter verificatie in het faillissement kan worden ingediend opdat de schuldeiser kan meedelen in de opbrengst van de vereffening die in dat kader plaatsvindt. [10]
gezamenlijke schuldeisers. Volgens de wetgever veronderstelt de regeling van het faillissementsbeslag een
concursus creditorum; juist de samenloop van tot executie gerechtigde schuldeisers rechtvaardigt de onpartijdige gerechtelijke inbeslagneming en verdeling van het vermogen van de schuldenaar onder al zijn schuldeisers. [12]
andere schuldeisertoebehoort dan aan degene die de faillietverklaring aanvraagt. [14] Er moet derhalve sprake zijn van ten minste twee rechtssubjecten.
privaatrechtzijn alleen natuurlijke personen en rechtspersonen rechtssubject (zie art. 1:1 lid 1 BW Pro en art. 2:5 BW Pro). Voor de overheid brengt dit mee dat naar privaatrecht alleen publiekrechtelijke rechtspersonen dragers van rechten en verplichtingen zijn en niet de tot hen behorende bestuursorganen. [15]
bestuursrecht(de Awb) staat het begrip ‘bestuursorgaan’ centraal: het bestuursorgaan is rechtssubject en niet de rechtspersoon waarvan het deel uitmaakt. [20]
materiële privaatrechtsprake is van
toerekeningvan diens handelen aan de publiekrechtelijke rechtspersoon. Op grond van artikel 1:1 lid 4 Awb Pro treffen immers de
vermogensrechtelijke gevolgenvan een handeling van een bestuursorgaan de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort. De formulering van deze bepaling sluit aan bij artikel 3:66 lid 1 BW Pro waarin de verhouding tussen volmachtgever en gevolmachtigde wordt geregeld. [23] Deze toerekening wordt als volgt toegelicht:
een betaling aan of door de rechtspersoon waarvan het bestuursorgaan deel uitmaakt». Thans kan worden volstaan met de zinsnede «een betaling aan of door het bestuursorgaan». Wettelijke bepalingen waarin betalingen aan of door een bestuursorgaan zijn voorgeschreven, dienen derhalve steeds te worden gelezen in samenhang met artikel 1:1, vierde lid.” [onderstreping A-G] [25]
rechtspersoonin kwestie. Kort gezegd: een geldschuld uit hoofde van een ministeriële boetebeschikking of een (rijks)belastingaanslag kwalificeert voor het privaatrecht als een geldschuld aan de Staat.
Volledigheidshalve zij vermeld dat de privaatrechtelijke bevoegdheden van het bestuursorgaan strikt genomen bevoegdheden zijn van de rechtspersoon waarvan het bestuursorgaan deel uitmaakt. Zulks wordt ook in het voorgestelde vierde lid van artikel 1:1 tot Pro uitdrukking gebracht.” [onderstreping A-G] [27]
verrekening. In afwijking van art. 6:127 BW Pro bepaalt art. 4:93 lid 1 Awb Pro dat verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts geschiedt voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. [28] Dit betekent dat de overheid een bedrag dat zij verschuldigd is aan de burger in beginsel niet kan aanwenden voor afboeking op een openstaande vordering op de burger. [29] De bepaling geldt echter ook voor een beroep op verrekening door de burger. Achtergrond is volgens de toelichting steeds de diversiteit van de binnen het openbaar lichaam uitgeoefende publiekrechtelijke taken:
privaatrechtderhalve niet voor gekozen om het bestuursorgaan te laten functioneren als zelfstandig rechtssubject met een eigen vermogen, maar heeft gekozen voor de figuur van
toerekeningvan het handelen van het bestuursorgaan aan de publiekrechtelijke rechtspersoon waartoe het behoort. Dat wordt niet alleen met zoveel woorden bepaald in artikel 1:1 lid 4 Awb Pro, maar ligt ook ten grondslag aan de regeling betreffende verrekening in artikel 4:93 lid 1 Awb Pro. Juist de omstandigheid dat een geldschuld van bestuursorgaan A1 aan X en vordering van bestuursorgaan A2 op X worden toegerekend aan de publiekrechtelijke rechtspersoon A waartoe zij beide behoren, onderstreept de noodzaak van een aparte verrekeningsregeling. Bij gebreke daarvan zou verrekening kunnen plaatsvinden met schulden of vorderingen van verschillende bestuursorganen binnen eenzelfde publiekrechtelijke rechtspersoon, zoals de Staat. [32] Voorts worden de privaatrechtelijke bevoegdheden van het bestuursorgaan als bedoeld in art. 4:124 Awb Pro – waaronder een faillissementsverzoek – door de wetgever rechtens aangemerkt als bevoegdheden van de rechtspersoon waarvan het bestuursorgaan deel uitmaakt.
rechtspersoonbetreft, die bovendien wordt verondersteld te zijn gebaseerd op een vordering
vandie rechtspersoon, valt naar mijn mening niet in te zien dat voor de toepassing van het pluraliteitsvereiste, althans het bestaan van een steunvordering, het voormelde toerekeningsbeginsel zou kunnen worden losgelaten in dier voege dat elk bestuursorgaan jegens hetwelk een betalingsverplichting in de zin van titel 4.4 van de Awb bestaat tevens als zelfstandig schuldeiser – ofwel privaatrechtelijk rechtssubject met een eigen vermogen – wordt aangemerkt.
welmet succes het faillissement van een (rechts)persoon zouden kunnen aanvragen, maar twee bestuursorganen die als het ware ook deel uitmaken van een (veel uiteenlopender) “concern” (te weten de achterliggende rechtspersoon) niet.
verschillende bestuursorganenjegens welke betalingsverplichtingen als bedoeld in art. 4:85 lid 1 sub a Awb Pro bestaan als
verschillende schuldeiserskwalificeren. Het is niet zonneklaar of het middel, nu het ook spreekt van ‘onderdelen’ van de Staat (met een eigen begroting), voor het voorliggende geval met ‘verschillende bestuursorganen’ het oog heeft op de betrokken ministeries (SZW en Financiën) – die m.i. niet als bestuursorganen kwalificeren – of op de betrokken bestuursorganen die de geldschulden hebben doen ontstaan en/of innen (Minister van SZW resp. Inspecteur/Ontvanger). Ook indien het laatste het geval zou zijn, is de conclusie wat mij betreft dat de voorgestane benadering geen navolging verdient.
fictiedat de Staat een van de Belastingdienst te onderscheiden publiekrechtelijk lichaam is. Deze fictie wordt uitdrukkelijk aangemerkt als uitvloeisel van de belastingwetgeving waarbij de Staat aan belasting wordt onderworpen. [40] De aangehaalde arresten bieden naar mijn mening dan ook slechts een ‘oplossing’ voor de uitzonderlijke situatie die bestaat onder de belastingwetten waarbij de Staat aan enige belasting wordt onderworpen. Met het oog op de heffing en invordering van belasting worden de Staat en de Belastingdienst door de
wetals afzonderlijke rechtssubjecten aangemerkt, omdat het bestaan van een civielrechtelijke schuld dat vereist. [41]
de belastingschuldige zelf, zo nodig met behulp van de informatieverplichtingen op grond van artikel 58 Iw Pro 1990. [51] Op grond van deze bepaling is de belastingschuldige verplicht desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken alsmede boeken, bescheiden en andere gegevensdragers ter beschikking te stellen. Voorwaarde daarbij is wel dat de betrokken persoon daadwerkelijk belasting verschuldigd is en de gegevens van belang kunnen zijn voor de invordering van die belasting te zijnen aanzien. Door het opnemen van deze verplichting van artikel 58 Iw Pro 1990 is tegemoetgekomen aan de specifieke informatiebehoefte van de Ontvanger. [52]
derden van wie hij vermoedt dat ze een vordering op de belastingschuldige hebben. De Ontvanger dient in dat geval te handelen binnen de grenzen die artikel 67 Iw Pro 1990 stelt. Deze bepaling houdt in dat het een ieder verboden is hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de Iw 1990 over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet of voor de heffing van enige rijksbelasting (geheimhoudingsplicht). In dit verband kan worden aangenomen dat het zoeken naar een steunvordering als hiervoor bedoeld, valt onder de noodzaak tot “uitvoering van deze wet” in de zin van artikel 67 Iw Pro 1990, zodat ontheffing van de geheimhoudingsplicht niet nodig is. [53]