Conclusie
1.Feiten en procesverloop
long care) van GGz Eindhoven. Bij beschikking van 13 juni 2017 heeft de rechtbank Oost-Brabant een machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis, welke machtiging op 13 juni 2018 zou verstrijken [1] . Bij betrokkene is sprake van niet-aangeboren hersenletsel, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en alcoholmisbruik.
second opinionafgegeven en geoordeeld dat de voorgenomen dwangbehandeling voldeed aan de geldende criteria.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
binnen de inrichtingdoet veroorzaken [6] . Volgens de rechtbank blijkt uit de voortgangsaantekeningen in het tijdvak van februari tot en met september 2017 dat in die gehele periode regelmatig sprake is geweest van (gewelds)incidenten, van acute dreiging met fysieke en verbale agressie wanneer betrokkene werd aangesproken op zijn gedrag en van grensoverschrijdende gedragingen van betrokkene in de richting van vrouwelijke medepatiënten en vrouwelijk personeel. Naar het oordeel van de rechtbank (blz. 7) staat hiermee voldoende vast dat het noodzakelijk was betrokkene door middel van het kamerprogramma verwijderd te houden van de afdeling, om te voorkomen dat voor personeelsleden op deze afdeling of voor medepatiënten gevaar zou ontstaan door agressieve gedragingen van betrokkene. Vervolgens heeft de rechtbank de noodzaak van deze dwangbehandeling getoetst aan beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid [7] .
Onder awordt geklaagd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een strafrechtelijke vrijheidsbeneming niet vergelijkbaar is met een Bopz-maatregel, omdat het één op repressie en het ander op preventie is gericht. De rechtbank miskent volgens het middelonderdeel, dat de door het EHRM ontwikkelde criteria omtrent vrijheidsbeneming van toepassing zijn op
allegevallen van vrijheidsbeneming: in geen enkel geval mag inbreuk worden gemaakt op de artikelen 3 en 5 EVRM. In de toelichting op deze klacht [9] wordt betoogd dat indien de rechtbank met dit onderscheid heeft bedoeld dat een vrijheidsstraf niet (mede) een preventieve functie heeft, dat oordeel onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
therapeutic methods’ en ‘
therapeutic necessity’in de zin van het arrest-Herczegfalvy geen sprake kan zijn indien de dwangbehandeling (zoals in dit geval) tot doel heeft het gevaar af te wenden dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene
binnende inrichting doet veroorzaken. Die opvatting lijkt mij niet juist. Betrokkene is op grond van een rechterlijke machtiging opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. In deze klachtprocedure staat niet het onvrijwillige verblijf in het ziekenhuis ter beoordeling, maar uitsluitend de verdere uitvoering van het behandelingsplan, tegen welke uitvoering betrokkene zich verzet. Uit het zorgplan volgt dat aan betrokkene een kamerbehandeling is opgelegd omdat zich binnen het ziekenhuis diverse (gewelds)incidenten hebben voorgedaan waarbij betrokkene een geringe spanningsopbouw en een snelle impulsdoorbraak liet zien. Het doel is, vanuit het kamerprogramma geleidelijk naar meer vrijheden toe te werken. In het zorgplan staan onder meer als doelen geformuleerd: hyperactief, agressief, destructief of geagiteerd gedrag verminderen; probleeminzicht/verandermotivatie vergroten. Verschillende keren is geprobeerd om de vrijheden te vergroten, maar dat heeft volgens het zorgplan steeds tot nieuwe incidenten geleid. De rechtbank heeft op basis van de gedingstukken en de ter zitting verschafte informatie tot haar gevolgtrekking kunnen komen dat het kamerprogramma een onderdeel is van de reguliere psychiatrische behandeling. Dit is ook wat de behandelaar ter zitting heeft verklaard. Bovendien heeft de rechtbank op blz. 7 van de beschikking overwogen dat voldoende vaststaat dat het in deze periode noodzakelijk was, betrokkene via een kamerprogramma van de afdeling verwijderd te houden, ten einde te voorkomen dat voor personeelsleden of medepatiënten gevaar van agressieve gedragingen door betrokkene zou gaan ontstaan. Het voorkomen van zulke incidenten kan een deel van de behandeling in het ziekenhuis zijn. Het oordeel van de rechtbank behoefde geen verdere uitwerking om voor de lezer begrijpelijk te zijn.
als zodanigzonder meer in strijd is met de menselijke waardigheid. Dat kan anders zijn onder bepaalde omstandigheden [12] . Denkbaar is, dat eenzame opsluiting anders dan in het kader van een kortdurende
time out-crisisinterventie (denk bijv. aan de beruchte ‘
Isolationshaft’;het langdurig onthouden van menselijk contact met medegedetineerden of het onthouden van zintuiglijke prikkels, zgn. ‘sensorische deprivatie’) in strijd komt met art. 3 EVRM Pro en/of met de maatstaf van de menselijke waardigheid [13] , maar dergelijke handelwijzen zijn in deze zaak niet gesteld. De rechtbank is, na vaststelling en waardering van de feiten, van oordeel dat het onderhavige kamerprogramma, inclusief (al dan niet mislukte) pogingen om stapsgewijs tot meer vrijheden te komen, in dit geval binnen de grenzen van het aanvaardbare is gebleven. De dagindeling van betrokkene is ter zitting door de rechter met betrokkene en met de behandelaars besproken [14] . De rechtbank heeft overwogen (blz. 8) dat voldoende is gebleken:
onbegeleidvrijheden te geven. Dit heeft eenmaal geleid tot een ernstig conflict (waarvoor betrokkene zich bij de strafrechter zal moeten verantwoorden) en eenmaal, toen betrokkene zonder begeleiding buiten de kliniek was, tot onverantwoord gedrag van betrokkene waarbij hij een forse eenzijdige aanrijding heeft gehad. Met deze feiten en omstandigheden heeft de rechtbank behoorlijk verantwoord hoe de door dit middelonderdeel geëiste afweging heeft plaatsgevonden. De klacht faalt.
where the person needs control and supervision to prevent him from, for example, causing harm to himself or other persons”. Die situatie doet zich volgens de rechtbank hier voor.