Conclusie
Nummer18/01257
eerste middelbehelst de klacht dat het hof (ten aanzien van de tenlastegelegde feiten 3 en 4) niet de voor de verdachte meest gunstige bepaling heeft toegepast, ondanks dat sprake was van verandering van wetgeving in de zin van art. 1, tweede lid, Sr.
“Overweging met betrekking tot het bewijs
Art. 1, tweede lid, Sr:
Art. 341 (oud) Sr:
Art. 341 (nieuw) Sr:
Art. 343 (oud) Sr:
Art. 343 (nieuw) Sr:
1° voor de intreding van het faillissement, indien dit is gevolgd, of tijdens het faillissement enig goed aan de boedel heeft onttrokken of onttrekt;
2°voor van het faillissement, indien dit is gevolgd, buitensporig middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt, uitgegeven of vervreemd, dan wel hieraan heeft meegewerkt of daarvoor zijn toestemming heeft gegeven;
3° voor de intreding van het faillissement, indien dit is gevolgd, of tijdens het faillissement een van de schuldeisers van de rechtspersoon op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld of bevoordeelt.”
NJ2012/78, m.nt. Keijzer heeft de Hoge Raad, naar aanleiding van een vordering tot cassatie in het belang der wet van mijn ambtgenoot Knigge tegen de achtergrond van de uitspraak van het EHRM van 17 september 2009, nr. 10249/03 (Scoppola v. Italië), onder meer het volgende overwogen:
preciezer(cursivering van mij, A-G) toe te snijden “op het faillissement van een rechtspersoon en de relevante gedragingen van betrokken bestuurders en commissarissen in dat verband”.
ter wille van de duidelijkheidvan elkaar heeft gescheiden. De grondslag voor strafvervolging van een bestuurder van de rechtspersoon is thans niet meer gelegen in art. 341 Sr Pro j° art. 51 Sr Pro, maar rechtsreeks in art. 343 (nieuw) Sr. Naar het mij voorkomt is dit – op zichzelf genomen – niet meer dan een wetstechnische herschikking van strafbepalingen en is
daaraannog geen argument te ontlenen voor de stelling dat in de onderhavige zaak sprake is van een gewijzigd inzicht als bedoeld in art. 1, tweede lid, Sr. Uit het streven van de wetgever om op basis van het gemaakte onderscheid in het vervolg de strafrechtelijke normstelling preciezer toe te snijden op het faillissement van een rechtspersoon en de relevante gedragingen van betrokken bestuurders en commissarissen in dat verband, kan niet worden afgeleid dat de wetgever anders is gaan denken over de strafwaardigheid van de gedragingen van de verdachte. De kern van het strafrechtelijke verwijt dat de verdachte wordt gemaakt blijft in dat licht bezien dezelfde: het feitelijke leidinggeven aan de door de rechtspersoon gepleegde bedrieglijke bankbreuk. Daarbij verdient opmerking dat geen wijziging is aangebracht in de strafbedreiging: zowel art. 341 (oud) Sr en art. 341 (nieuw) Sr, als art. 343 (nieuw) Sr kennen een strafmaximum van ten hoogste zes jaren gevangenisstraf dan wel een geldboete van de vijfde categorie.
“Conclusie met betrekking tot de nieuwe strafbaarstelling
NJ2013/228 [6] , daarbij verwijzend naar HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691,
NJ2010/104 waarin hij hetzelfde al met betrekking tot art. 343 (oud) Sr had beslist. [7] Met deze arresten schiep de Hoge Raad duidelijkheid in de discussie die daaraan in de vakliteratuur was voorafgegaan over de vraag of hier voorwaardelijk opzet voor het bewijs van opzet al dan niet voldoende was. [8]
NJ2010/104 dat de opvatting dat de rechten van de schuldeisers als gevolg van het handelen van de verdachte daadwerkelijk zijn verkort geen steun vindt in het recht. Weliswaar heeft dit arrest betrekking op art. 343 (oud) Sr, maar evenals voor het voorwaardelijk opzet (zie randnummer 17) mag naar mijn inzicht worden aangenomen dat hetzelfde had (en in voorkomende overgangsrechtelijke gevallen heeft) te gelden voor art. 341 (oud) Sr.
wel vereistdat een of meer schuldeisers in het faillissement
daadwerkelijkzijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Deze benadeling moet op enig moment hebben bestaan, doch behoeft niet onherstelbaar te zijn (vgl. Hoge Raad 9 februari 2010, NJ 2010, 104).” [14]
daadwerkelijkheeft voorgedaan te zeer is verweven met vaststellingen en waarderingen van feitelijke aard en, naar het mij toeschijnt, deze kwestie zich mitsdien niet leent voor beoordeling in cassatie. [19] Het is, denk ik, bij deze stand van zaken en aangenomen dat de wetgeving ten gunste van de verdachte is veranderd, aan de feitenrechter voorbehouden om te onderzoeken of de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen (daadwerkelijke benadeling) en, indien bewezen, of elk van die feiten is te kwalificeren als strafbaar feit (en, zo ja, welk feit). [20]