Conclusie
Haviltex-maatstaf in het voordeel van Lions Dive bevestigend beantwoord en CPA c.s., kort gezegd, verboden om hun plan uit te voeren. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: ‘het hof’) komt al ‘haviltexend’ ook uit op een verbod en verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure. CPA c.s. betogen in cassatie dat het hof heeft miskend dat de bewoordingen van de overeenkomst meebrengen dat bij de 5%-marge van een ‘netto-berekening’ (aanwinning minus afgravingen) zou moeten worden uitgegaan. Behalve deze uitlegkwestie stellen CPA c.s. in cassatie ook, in verband met de in hoger beroep toegewezen vordering van Lions Dive tot verwijzing naar de schadestaatprocedure, de vraag aan de orde of de toelaatbaarheid van een eiswijziging in appel in het Curaçaose procesrecht niet alleen door de eisen van een goede procesorde, maar ook door de tweeconclusieregel wordt bepaald. Met haar voorwaardelijk ingesteld incidenteel cassatieberoep probeert Lions Dive alsnog de door haar verdedigde uitleg van de overeenkomst op een ander punt ingang te doen vinden: anders dan het hof heeft aangenomen, stelt Lions Dive zich op het standpunt dat de overeenkomst van 2000 eenmalig uitbreiding van het schiereiland toestaat, maar zich verzet tegen latere uitbreidingen.
1.Feiten
Haviltex-maatstaf naar voren geschoven:
Lions Dive ziet af van het vorderen van enige vorm van schadevergoeding voor de door haar vermeend geleden schade door de aanleg van het tussen partijen bekende schiereiland (...).Lions Dive heeft voorgaande in combinatie met de tekst van de overeenkomst zo kunnen begrijpen dat de overeenkomst onder meer inhield dat het schiereiland niet naar het westen zou worden uitgebreid in verband met haar belangen. De netto-berekening van gedaagden strookt niet met deze uitleg. Door Lions Dive is in dat verband terecht naar voren gebracht dat de netto-berekening de mogelijkheid impliceert dat het schiereiland opgeschoven zou kunnen worden naar het westen, hetgeen juist niet de bedoeling was van partijen. Daarnaast geldt ten aanzien van de bestemming haven dat een ‘private marina area’ achterin de inham (zie kaart G), en dus verder verwijderd van het strand van Lions Dive dan waar de huidige kade ligt, een ander karakter heeft dan de (thans beoogde) kade, die bedoeld is voor het laten aanmeren van een schip van 37 meter lengte.”
met dien verstande dat dit verbod niet geldt voor de eerste acht (8) keren in ieder kalenderjaar dat de Chapman (of ander schip van vergelijkbare omvang) op het binnenwater vaart en/of aanmeert bij het schiereiland en met dien verstande (i) dat één keer aanmeren inhoudt dat de Chapman (of ander schip van vergelijkbare omvang) maximaal vierentwintig (24) uur aaneengesloten bij het schiereiland is aangemeerd en (ii) dat overschrijding van een dergelijke vierentwintiguursperiode geldt als een extra keer aanmeren.” [de onderstreping accentueert de toevoeging aan het oorspronkelijke dictum, A-G]
Haviltex-maatstaf, die volgens het hof tevens een redelijke uitleg is, van de laatste volzin van artikel 18 brengt Pro wat hem betreft namelijk mee dat de op bijlage E bij de overeenkomst van 2000 getekende kustlijn tussen het meest zuidelijke punt van het schiereiland en het meest oostelijke punt van het schiereiland, als de oostelijke kustlijn geldt. Daarop voortbouwend heeft het hof de in rov. 2.7 en 2.8 gegeven uitleg aan artikel 18 van Pro de overeenkomst van 2000 (hiervoor randnummer 2.20) nader gespecificeerd; het gaat erom dat het schiereiland niet meer dan 522 m² buiten het gebied mag liggen dat in bijlage E is ingetekend ten noorden en ten westen van de oostelijke kustlijn:
Haviltex-uitleg:
.Verder heeft het Hof overwogen dat de aldus bereikte uitleg ook een redelijke uitleg is. Geen van die door het Hof genoemde gezichtspunten ondersteunt het standpunt van Lions Dive dat niet alleen is overeengekomen tot welke grenzen het schiereiland uiteindelijk mag worden uitgebreid, maar dat ook is overeengekomen dat slechts een eenmalige uitbreiding wordt toegestaan, waarna geen verdere uitbreidingen meer toegestaan zullen zijn, ook niet als die verdere uitbreidingen binnen de in 2000 overeengekomen grenzen zouden blijven. Indien het de bedoeling was ook dat laatste overeen te komen, zou men verwachten dat dit in de tekst tot uitdrukking zou zijn gebracht. De opmerkingen van de heer [betrokkene 2] bij de comparitie van 25 juni 2015, inhoudende dat hij de tekst van de overeenkomst heeft opgesteld en dat voor de marge van 5% is gekozen omdat de exacte oppervlakte van het schiereiland ten tijde van het opstellen daarvan niet bekend was, geven wellicht enige steun aan de door Lions Dive verdedigde uitleg, maar tegenover het voorgaande zijn die opmerkingen van onvoldoende gewicht. Die opmerkingen geven dus geen aanleiding tot een andere uitleg. Dat is in de eerste zin van rov. 2.11 van het tussenvonnis tot uitdrukking gebracht.”
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Haviltex-maatstaf, anders dan CPA c.s. hebben betoogd, de juiste maatstaf (rov. 2.6 van het tussenvonnis);
tekstvan de overeenkomst dat niet vermeldt, maar ook dat een dergelijke berekening leidt tot een resultaat dat
niet voor de hand ligten
ook niet redelijkis (rov. 2.8, eerste en tweede volzin van het tussenvonnis);
Haviltex-norm van de laatste volzin van artikel 18 het Pro volgende mee: de op bijlage E getekende kustlijn tussen het meest zuidelijke punt van het schiereiland en het meest oostelijke punt van het schiereiland geldt als de oostelijke kustlijn van het schiereiland; het deel van het in werkelijkheid bestaande schiereiland dat ten oosten en ten zuiden van de oostelijke kustlijn is aangelegd, telt niet mee; het deel dat ten noorden en ten westen van de oostelijke kustlijn is aangelegd, telt wel mee. Dat betekent dat niet meer dan 522 m² buiten het gebied mag liggen dat in bijlage E is ingetekend, ten noorden of ten westen van de oostelijke kustlijn (rov. 2.9 van het tussenvonnis);
Haviltex-maatstaf en dat het hof bij zijn uitleg acht heeft geslagen op (alle omstandigheden van het geval waaronder met name) de tekst van de bepaling, de vorm van het in bijlage E ingetekende schiereiland, de ligging ervan ten opzichte van Lions Dive en de strekking van de bepaling om een regeling te treffen met betrekking tot de hinder die Lions Dive van het schiereiland ondervindt of meent te ondervinden, alsmede de redelijkheid van die uitleg; geen van die gezichtspunten ondersteunen, aldus het hof, de door Lions Dive verdedigde uitleg (inhoudende dat slechts eenmalig een uitbreiding toegestaan is (zodat verdere uitbreidingen daarna dus niet meer mogelijk zijn)); ook de verklaring van [betrokkene 2] , die wel enige steun biedt aan het standpunt van Lions Dive, is van onvoldoende gewicht, om tot een andere uitleg te concluderen (rov. 2.2 van het eindvonnis);
Haviltex-maatstaf en het gegeven dat mede van belang is de omstandigheid dat het om een vaststellingsovereenkomst gaat die tot stand is gekomen tussen professionele partijen die werden bijgestaan door een advocaat, randnummer 3.4 onder (A) en (B)). Zij bestrijden evenmin de uitleg die het hof heeft gegeven aan de 5%-marge als zodanig. Hun klachten zijn gericht tegen de uitleg die het hof heeft gegeven aan de in de een-na-laatste volzin van artikel 18 gebezigde Pro bewoordingen ‘totale oppervlakte’: in dit verband betrekken zij in het bijzonder de stelling dat het hof onvoldoende oog heeft gehad voor de taalkundige betekenis van die bewoordingen.
DSM/Foxheeft aangegeven, zijn bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst telkens van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. [12] Zowel de maatstaf van het
Haviltex-arrest als de zogenoemde CAO-norm is een uitwerking van deze ‘grondnorm’. [13] In casu kan de CAO-norm buiten beeld blijven. Hier gaat het om toepassing van de
Haviltex-maatstaf.
Haviltex-maatstaf komt het in beginsel aan op de zin die partijen redelijkerwijs aan de betreffende bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [14] Bij de toepassing van deze maatstaf dient de rechter rekening te houden met alle (relevante) omstandigheden van het gegeven geval. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de uitleg van een schriftelijke overeenkomst niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin de overeenkomst is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang. [15]
DSM/Foxheeft Uw Raad de
Haviltex-maatstaf als dé norm bij de uitleg van schriftelijke [16] overeenkomsten bevestigd en benadrukt dat bij de uitleg van iedere schriftelijke overeenkomst telkens van beslissende betekenis zijn
alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Met het arrest is ook duidelijk geworden dat niet alleen in het kader van (het overigens beperkte toepassingsbereik van) de CAO-norm, maar, afhankelijk van de omstandigheden, ook in het ‘toepassingsgebied’ van de
Haviltex-maatstaf een meer of minder objectieve uitleg aan de orde is. [17] ‘
Haviltex’ kent, anders gezegd, ook weer verschillende varianten. Zo volgt uit
DSM/Foxdat meer aanleiding bestaat voor een objectieve uitleg naarmate de overeenkomst naar haar aard beoogt de rechtspositie van (een groter aantal) derden op een uniforme wijze te regelen. [18]
Haviltex-maatstaf diverse ‘standaardfactoren’ of gezichtspunten tegen die, zo zou men kunnen zeggen, de verwachtingen van partijen over en weer (kunnen) beïnvloeden: [19]
Haviltex-maatstaf soms tot een ‘meer specifiek’ uitlegprincipe voor het betrokken gevalstype komt. [23] Vermeldenswaard is bijvoorbeeld dat:
Haviltex-regime is toegestaan: de ‘voorshands taalkundige’-uitleg. Deze techniek is hier niet aan de orde en toepassing ervan wordt in cassatie evenmin alsnog bepleit, net zo min als toepassing van een specifiek uitlegregime voor commerciële contracten, maar in casu wordt in het principaal beroep in een
settingwaarin volgens het hof van betekenis is dat sprake is van een contract afgesloten tussen professionele partijen bijgestaan door een advocaat wel de vraag aan de orde gesteld of – kort gezegd – de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen niet beslissend zou moeten zijn. Daarom toch nog een enkel woord over de techniek over de ‘voorshands taalkundige’-uitleg.
Haviltex-maatstaf laat toe dat een rechter voorshands groot gewicht toekent aan de meest voor de hand liggende taalkundige uitleg. [27] In de rechtspraak van Uw Raad [28] wordt aanvaard dat indien er sprake is van een commercieel contract, gesloten tussen professionele partijen waarbij de strekking van de schriftelijke overeenkomst is dat partijen hun rechtsverhouding nauwkeurig hebben willen vastleggen in de schriftelijke overeenkomst, de rechter de vrijheid heeft
voorshandsgroot gewicht toe te kennen aan de gebruikelijke betekenis van de tekst van de overeenkomst. Het ligt voor de hand dat de rechter die vrijheid enkel benut wanneer partijen er in de specifieke omstandigheden over en weer redelijkerwijs van mogen uitgaan dat de tekst van het contract de bedoeling van partijen nauwkeurig en juist weergeeft. [29] Bedient de rechter zich inderdaad van deze techniek, dan dient hij deze keuze voldoende te motiveren. Indien de rechter de tekst van de overeenkomst voorshands taalkundig uitlegt, is hij gehouden om te beoordelen of de partij die een andere uitleg van de overeenkomst verdedigt, voldoende heeft gesteld om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten (en zo nodig of zij een adequaat bewijsaanbod heeft gedaan). Indien dat het geval is, is de rechter gehouden om die partij in de gelegenheid te stellen dit (tegen)bewijs te leveren. Ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval immers meebrengen dat wel degelijk een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. [30]
enkeleomstandigheid dat de betrokken partijen beide als professionele partij (al dan niet met deskundige juridische bijstand) kunnen worden beschouwd niet voldoende is om te komen tot een voorshandse uitleg: [36]
er niet alleen sprake moet zijn van een commercieel contract gesloten tussen professionele partijen, maar dat partijen beiden voldoende zorg moeten hebben besteed aan de formulering van de contractsbedingen. Het moet de strekking van het contract zijn geweest de bedoeling van partijen daarin nauwkeurig vast te leggen. Immers alleen dan is er reden er voorshands van uit te gaan dat de bedoeling van beide partijen correct is neergelegd in de tekst van het contract.
Parkking c.s./mr. Alberts q.q., waar hij opmerkt dat het enkele feit dat van een zuiver commerciële transactie (tussen professionele partijen) sprake is onvoldoende is voor een toespitsing op de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen: [37]
Mij dunkt dat een belangrijke overweging in dit verband was dat de bedoelde schriftelijke overeenkomsten klaarblijkelijk waren bedoeld als een nauwkeurige vastlegging van de tussen partijen in (min of meer uitvoerige) onderhandelingen bereikte overeenstemming omtrent hun wederzijdse rechten en verplichtingen, waarbij de genoten juridische bijstand de deugdelijkheid van die vastlegging bevorderde. Weliswaar wordt in de bedoelde rechtspraak steeds óók benoemd dat het een zuiver commerciële transactie betrof, maar die omstandigheidalleendunkt mij geheel en al onvoldoende voor een toespitsing op de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen.Zoals het hof met zoveel woorden benoemt, is het ervan uitgegaan dat partijen
nietdoor juridische raadslieden werden bijgestaan. Ook betreft de uitleg niet een schriftelijke overeenkomst die was bedoeld als een nauwkeurige vastlegging van een tussen partijen in min of meer uitvoerige onderhandelingen bereikte overeenstemming, maar een enkele brief. Voor zover in geval van de uitleg van een dergelijke brief een toespitsing op de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen al toelaatbaar zou kúnnen zijn, geldt dat de door het hof benoemde omstandigheden de keuze voor die toespitsing niet begrijpelijk maken.” [onderstreping van mij, A-G]
Haviltex-maatstaf steeds leidend. Niet uitgesloten is dat de rechter daarbij in een concreet geval gebruik maakt van de ‘voorshands taalkundige’-uitleg, door Wissink ooit ‘half Haviltexen’ genoemd. [38] Die techniek is door Uw Raad in diverse arresten toegestaan. De rechter is niet gehouden haar toe te passen, maar zij is wel onderdeel van zijn gereedschapskist. Aangenomen mag worden dat zij daar alleen maar uit komt indien er in het licht van de concrete omstandigheden van mag worden uitgegaan dat de tekst van de overeenkomst de bedoelingen van partijen nauwkeurig en juist weergeeft. [39] Indicatief, maar ook niet meer dan dat, daarvoor zijn factoren als deskundige juridische bijstand en langdurige onderhandelingen.
Gemeente Rotterdam/Eneco c.s. [40] om de vraag of de Gemeente Rotterdam op grond van de tussen partijen aangegane notariële ‘akte van inbreng’ (in het kader van verzelfstandiging van het energiebedrijf) jegens Eneco c.s. gehouden was om ten behoeve van laatstgenoemden een opstalrecht te vestigen. Nadat het hof Eneco c.s. in het gelijk had gesteld, betoogde de gemeente in cassatie dat het hof had miskend dat nu het ging om professionele partijen die over de benodigde juridische kennis kunnen beschikken, aan de bewoordingen van de contractuele bepalingen een belangrijke rol zou toekomen. Uit de verwerping van dat betoog door Uw Raad valt op te maken dat de hoedanigheid van de betrokken partijen weliswaar een relevant maar niet steeds doorslaggevend gezichtspunt is bij de uitleg op grond van de
Haviltex-maatstaf (rov. 3.4.2).
Afvalzorg/Slotereind BV, [41] waarin het ook ging om uitleg van een beding aangegaan tussen professionele partijen, die zich hadden laten bijstaan door juridische adviseurs. Uit dit arrest blijkt dat ook de omstandigheid dat het gaat om een beding met verstrekkende gevolgen, zoals een vervalbeding, niet zonder meer meebrengt dat groot gewicht wordt toegekend aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen. [42]
Haviltex-maatstaf (hiervoor randnummers 3.9 e.v.); het gaat daarbij immers steeds om een waardering van
alleconcrete feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien. De verschillende schakels in de redenering van het hof vullen elkaar aan en bouwen op elkaar voort zoals hierna in randnummers 3.29 e.v. nog wordt uiteengezet. Aan die beïnvloeding en verwevenheid wordt onvoldoende recht gedaan in een geïsoleerde klachtenbehandeling, waarop CPA c.s. lijken aan te sturen, waarbij iedere schakel afzonderlijk wordt behandeld.
Haviltex-maatstaf en dat daarbij mede van belang is dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst die tot stand is gekomen tussen professionele partijen die werden bijgestaan door een advocaat (randnummer 3.4 onder (A) en (B)).
subonderdelen 1.1, 1.2, 4.1 en 4.2specifiek met betrekking tot de betekenis van de tekst van de overeenkomst betogen, het hof een voldoende gemotiveerd en begrijpelijk oordeel heeft gegeven waarin óók aan de tekst van de overeenkomst betekenis is toegekend, zij het niet de beslissende die CPA c.s. daaraan wensen te geven. Dat deze uitleg overigens strookt met de
Haviltex-maatstaf en de vaste jurisprudentie van Uw Raad daaromtrent, wordt hierna, onder meer in randnummers 3.44 e.v., nog uiteengezet.
subonderdeel 4.6in het kader waarvan CPA c.s. juist betogen dat het hof in genoemde rov. 2.3 van zijn eindvonnis wel degelijk volledig teruggekomen is op het onredelijkheidsargument uit rov. 2.8 van het tussenvonnis (randnummer 3.4 onder (D) en (E)). CPA c.s. halen dit standpunt vaker aan in hun verzoekschrift (zoals in de inleiding van het verzoekschrift en bij de nadere onderbouwing van subonderdeel 4.1).
iederedoor hen gewenste locatie in zee een schiereiland aan te leggen. Die vrijheid hebben CPA c.s. niet gelet op de 5%-marge zoals het hof die zelf heeft uitgelegd én in het licht van het betoog van CPA c.s. waarbij zij onder meer hebben gewezen op de beperkingen die voortvloeien uit de bouwvoorschriften in de tussen CPA, Lions Dive en het toenmalige Eilandgebied Curaçao overeengekomen zonekaart (hiervoor randnummer 1.7) waarin een verbod is opgenomen voor bebouwing aan de westzijde; uitsluitend waterbouwkundige voorzieningen (een haven) is toegestaan. [43] Verder dan dit gaat het hof naar mijn idee echter niet mee in het betoog van CPA c.s. Het hof blijft bij zijn uitleg (geen netto-berekening). Dat het hof zijn ‘onredelijkheidsargument’ uit het tussenvonnis (randnummer 3.4 onder (E)) niet heeft verlaten in rov. 2.3 van zijn eindvonnis (randnummer 3.4 onder (N)), blijkt in de eerste plaats uit zijn woordkeuze. Het hof geeft in rov. 2.3 weliswaar aan dat het betoog van CPA c.s.
op zichzelf juist isen dat er
goede argumentenzijn om aan te nemen dat het CPA inderdaad niet vrijstaat om op iedere door haar gewenste locatie op zee een eiland van maximaal 10.965 m² aan te leggen, maar overweegt tegelijkertijd dat dat argument ‘echter van onvoldoende gewicht’ is om het hof tot een ander oordeel te brengen dan in het tussenvonnis is gegeven. Het oordeel van het hof kan zo worden begrepen dat de netto-berekening CPA weliswaar niet de vrijheid geeft om het schiereiland op
elkewillekeurige plaats in zee de plaatsen (dat is een te vlot uit de pen van het hof gevloeide conclusie (Lions Dive spreekt bij herhaling van een ‘hyperbolische absurditeit’)) [44] , maar wel degelijk de ruimte laat om zodanige wijzigingen in (de vorm en ligging in de zee van) het schiereiland aan te brengen dat het schiereiland meer dan 522 m2 buiten het gebied komt te liggen dat in bijlage E is ingetekend, hetgeen (nog altijd) in strijd is met de door het hof gegeven uitleg aan de vaststellingsovereenkomst (rov. 2.8, een-na-laatste zin).
Subonderdeel 4.6, dat ervan uitgaat dat het hof zijn onredelijkheidsargument wel heeft laten varen, faalt daarom wegens het ontbreken van een feitelijke grondslag.
subonderdeel 1.3aan bod. Dit subonderdeel is zekerheidshalve ingesteld, namelijk voor zover het hof in rov. 2.3 van zijn eindvonnis niet zou zijn teruggekomen op het zojuist besproken onredelijkheidsargument uit rov. 2.8 van het tussenvonnis. Nu hiervoor is uiteengezet dat het hof dat argument inderdaad niet heeft laten varen (randnummer 3.31), verdient dit subonderdeel inhoudelijke bespreking.
op zichzelf juistaanvaard, maar uiteindelijk van onvoldoende gewicht geacht voor een andersluidend oordeel (in de zin van: wel uitgaan van een netto-berekening). In zoverre mist
subonderdeel 1.3feitelijke grondslag. In het voorgaande heb ik uiteengezet dat het oordeel van het hof overigens ook een begrijpelijkheidstoets kan doorstaan.
subonderdelen 1.2 (tweede alinea)en
4.1 (tweede alinea)richten CPA c.s. ook motiveringsklachten tegen rov. 2.8 van het tussenvonnis (randnummer 3.4 onder (D)) respectievelijk rov. 2.3 van het eindvonnis (randnummer 3.4 onder (N)). Aldaar heeft het hof volgens CPA c.s. geen kenbare aandacht besteed aan (het gewicht van) de omstandigheden die in rov. 2.6 van zijn tussenvonnis zijn benoemd (randnummer 3.4 onder (B); vaststellingsovereenkomst gesloten tussen professionele partijen bijgestaan door een advocaat). Het hof had duidelijk moeten maken wat het belang is van die omstandigheden en/of hoe zij meewegen bij de uitleg van artikel 18. In
subonderdelen 1.2 (tweede en derde volzin van de tweede alinea)en
4.1 (eerste alinea)wordt daarnaast nog over het volgende geklaagd ten aanzien van rov. 2.8 van het tussenvonnis en rov. 2.3 van het eindvonnis. In het kader van subonderdeel 1.2 wordt de stelling betrokken dat het hof in ieder geval nader had moeten motiveren waarom bij een afweging van de taalkundige betekenis tegen (alle) andere (relevante) gezichtspunten, de taalkundige betekenis in het onderhavige geval niet prevaleert. Subonderdeel 4.1 richt een vergelijkbare motiveringsklacht tegen rov. 2.3 van het eindvonnis: volgens CPA c.s. heeft het hof evenmin duidelijk gemaakt waarom de door het hof bedoelde gezichtspunten (tekst van de bepaling, vorm en ligging van het schiereiland, strekking van de bepaling, redelijkheid van de uitleg) het standpunt van CPA c.s. dat de methode van de netto-berekening is overeengekomen niet (voldoende) zouden ondersteunen. Het hof verwijst wel naar de gezichtspunten, maar motiveert de toepassing en/of invulling van de gezichtspunten in het onderhavige, concrete geval niet. Wat CPA c.s. betreft, dat ligt in hun betoog besloten, is die toelichting wel nodig, temeer omdat het hof, zo betogen CPA c.s., ook in het kader van subonderdeel 4.1, één van zijn dragende argumenten (het onredelijkheidsargument) heeft laten varen. Dat laatste is wat mij betreft, zo heb ik hiervoor (randnummer 3.31) in het kader van subonderdeel 4.6 uiteengezet, in ieder geval niet juist. Ook overigens falen de hier genoemde motiveringsklachten wat mij betreft.
gezichtspuntenbetreft: waarom zij de door CPA c.s. bepleite uitleg niet (voldoende) ondersteunen en waar het de aangeduide
omstandighedenbetreft: wat het belang van deze omstandigheden is c.q. hoe zij bij de uitleg van de een-na-laatste zin van artikel 18 meewegen Pro). Tot een verdergaande motivering dan het hof gegeven heeft, was het mijn inziens echter niet gehouden. Om een beoordeling op begrijpelijkheid te kunnen doorstaan, was zij ook niet nodig. Het hof heeft in zijn overwegingen, weliswaar verspreid over tussen- en eindvonnis maar dat maakt zijn oordeel niet onbegrijpelijk, kenbaar gemaakt welke factoren het mede bepalend heeft geacht voor zijn oordeel en tot welke conclusie dat leidt. Daarbij heeft het hof
en passantook de door CPA c.s. naar voren geschoven argumenten voor een andersluidende uitleg gewogen en uiteindelijk te licht gevonden (randnummer 3.4 onder (B), (D) en (N)). Daarmee heeft het hof voldaan aan zijn motiveringsplicht.
iederewillekeurige locatie in zee een schiereiland aan te leggen; het ‘onredelijkheidsargument’ heeft het hof niet verlaten (randnummer 3.31). In deze
settingis het inderdaad niet aannemelijk dat partijen een methode voor de berekening van de totale oppervlakte zijn overeengekomen die CPA ruimte zou geven om het schiereiland zodanig aan te passen (te verplaatsen) dat het schiereiland meer dan 522 m2 buiten het gebied komt te liggen dat in bijlage E is ingetekend (hierover nader randnummer 3.31). In aanmerking genomen dat het oordeel van het hof sterk verweven is met een waardering van de concrete feiten en omstandigheden, die aan de feitenrechter voorbehouden is, falen de in de
subonderdelen 1.2 en 4.1geformuleerde motiveringsklachten derhalve.
de tweede alinea van subonderdeel 1.1geformuleerde motiveringsklacht. Anders dan CPA c.s. in dat verband betogen, is wat mij betreft van een tegenstrijdigheid tussen de uitleg waartoe het hof in rov. 2.7 van het tussenvonnis gekomen is op het punt van de omvang van de 5%-marge en hetgeen het hof vervolgens in rov. 2.8 heeft overwogen (geen netto-berekening) geen sprake: een berekening van de beschikbare marge in vierkante meters, waartoe het hof in rov. 2.7 is gekomen, brengt niet automatisch met zich dat van de door CPA c.s. bepleite netto-berekening moet worden uitgegaan. Nadat eerst de beschikbare marge voor een uitbreiding is bepaald, is vervolgens de vraag waar die door CPA c.s. kan worden benut. In een netto-berekening zou die ruimte groter zijn dan in de door het hof in rov. 2.8 aangenomen uitleg (geen netto-berekening), ook al gaat het steeds om hetzelfde aantal vierkante meters (522). De motiveringsklacht van
onderdeel 1.1 tweede alineafaalt derhalve wegens het ontbreken van een feitelijke grondslag.
subonderdeel 1.4dit lot.
Onderdeel 2faalt derhalve.
subonderdelen 4.3 tot en met 4.5. CPA c.s. komen daarin met afzonderlijke motiveringsklachten op tegen de (waardering van de) verschillende specifieke gezichtspunten die het hof (mede) bepalend heeft geacht voor zijn verwerping van de door CPA c.s. verdedigde netto-berekening. Ook hier wordt echter miskend dat de
Haviltex-uitleg aanleiding geeft tot een totaalbeoordeling, omdat het uiteindelijk gaat om het achterhalen van de betekenis die in concreto aan de gezichtspunten in samenhang bezien toekomt. Zoals hiervoor (met name in randnummers 3.36 en 3.37) is uiteengezet, kan de uitleg waartoe het hof is gekomen wat dit betreft een begrijpelijkheidstoets doorstaan. De in de
subonderdelen 4.3 tot en met 4.5geformuleerde motiveringsklachten werpen, afzonderlijk of in combinatie, geen nieuw licht op de zaak en falen derhalve.
subonderdelen 1.2 en 4.1tegen rov. 2.8 van het tussenvonnis (randnummer 3.4 onder (D)) respectievelijk rov. 2.3 van het eindvonnis (randnummer 3.4 onder (N)).
Gemeente Rotterdam/Enecoen
Afvalzorg/Slotereindvermelding verdienen (hiervoor randnummers 3.22 en 3.23), als gezegd nadrukkelijk de ruimte.
nietstaat en stelt dat dit betekenis geeft aan wat er wél staat. Voor generalisaties als die van een door CPA c.s. aangenomen, althans bepleit, uitlegprincipe is geen plaats; ik zie daaraan geen voordelen verbonden, wel nadelen (ongewenste versimpeling van de werkelijkheid met mogelijk ongewenste uitleg als gevolg). Ook de tweede rechtsklacht van
subonderdeel 1.2mist derhalve doel. Nu
subonderdeel 4.1, ook voor wat betreft de rechtsklachten, verwijst naar subonderdeel 1.2, faalt ook
subonderdeel 4.1in zoverre.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
subonderdeel 1merk ik het volgende op. Het hof heeft geoordeeld dat de overeenkomst van 2000 niet slechts een eenmalige uitbreiding toestaat en zich niet verzet tegen verdere uitbreidingen. Daartoe heeft het hof in rov. 2.10 van het tussenvonnis overwogen dat CPA c.s. ook na realisatie van het schiereiland nog enig land kunnen aanwinnen en dat artikel 18 van Pro de overeenkomst van 2000 hen daarbij enkel de beperking oplegt die het hof in rov. 2.9 van zijn tussenvonnis (randnummer 3.4 onder (H)) nader heeft geduid. Vervolgens heeft het hof in rov. 2.2 van het eindvonnis naar aanleiding van het verzoek van Lions Dive om aanvulling/heroverweging verwezen naar de in zijn tussenvonnis genoemde gezichtspunten (behalve de tekst van de bepaling en de redelijkheid van zijn uitleg zijn dat vorm en ligging van het schiereiland, alsmede de strekking van de bepaling) en geoordeeld dat geen van deze gezichtspunten het standpunt van Lions Dive, dat slechts een eenmalige uitbreiding is toegestaan en verdere uitbreidingen niet meer, ook niet als deze binnen de in de overeenkomst van 2000 overeengekomen grenzen zouden blijven, ondersteunt. Als partijen de bedoeling hadden om overeen te komen dat slechts een eenmalige uitbreiding was toegestaan, kon, aldus het hof, verwacht worden dat zij dit in de tekst tot uitdrukking zouden hebben gebracht. Ten slotte heeft het hof overwogen dat de opmerkingen van [betrokkene 2] wellicht enige steun aan de door Lions Dive verdedigde uitleg geven maar dat ‘tegenover het voorgaande’ (aangenomen mag worden dat het hof hiermee teruggrijpt op de zojuist weergegeven redengeving) de opmerkingen van onvoldoende gewicht zijn. Op de opmerkingen van [betrokkene 2] kom ik in het kader van subonderdeel 1.2 in randnummer 4.7 overigens nog terug. Waar het hof bij de verwerping van de door CPA c.s. verdedigde uitleg betekenis heeft toegekend aan het ontbreken van een aanwijzing voor een ‘netto-berekening’ in de tekst van de overeenkomst (randnummer 3.29 hiervoor), gebeurt hier iets vergelijkbaars bij de door Lions Dive verdedigde uitleg.
Haviltex-uitleg in deze zaak heeft geacht (sprake is van een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen professionele partijen bijgestaan door een advocaat (randnummer 3.4 onder (B)), mijns inziens voldoende inzicht gegeven in zijn oordeelsvorming. Het resultaat daarvan kan een begrijpelijkheidstoets doorstaan.
subonderdeel 1.1falen.
subonderdeel 1.2falen.