Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
gepaard met de ongefundeerde edoch kwetsende aantijging dat [betrokkene 1] bedrog had gepleegd door de jaarrekening MKB te manipuleren. Aldus heeft Euretco haar wanprestatie voor zichzelf alsook voor de markt geprobeerd te rechtvaardigen. Deze handelwijze heeft tot gevolg gehad dat partijen niet in overleg zijn geraakt over de modaliteiten ter zake de invulling van de beide verzorgingsgebieden. Hierdoor heeft [betrokkene 1] in concreto geen derde,
te weten een door [betrokkene 1] op te richten keukenvennootschap in wier kapitaal [betrokkene 1] voor 100% zal deelnemen, aangewezen.
De bespreking van de cassatiemiddelen
objectiefingevuld, waarbij het vaststellen van de betekenis van een contractuele bepaling in beginsel gebeurt aan de hand van objectieve gezichtspunten, zoals de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen. In de literatuur is er wel voor gepleit om “net als in het Engelse en Schotse recht in principe uit te gaan van een objectieve uitleg van grote commerciële contracten waarover met juridische bijstand is onderhandeld. Hierbij zou een niet allesbepalend, maar wel zwaarwegend gewicht aan de taalkundige betekenis moeten worden toegekend en in beginsel van een objectieve uitleg moeten worden uitgegaan.” [11] Een dergelijke regel specifiek voor de uitleg van commerciële overeenkomsten is door de Hoge Raad echter niet aanvaard. [12]
steeds[curs. A-G] kunnen meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft aldus de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, NJ 2013/214 (Lundiform/Mexx)). Dat is niet zonder meer anders waar een beding verstrekkende gevolgen heeft, zoals een vervalbeding, of waar het een overeenkomst tussen twee professionele partijen betreft die zich hebben laten bijstaan door externe, ter zake kundige juridische adviseurs, zoals het onderdeel tot uitgangspunt neemt (vgl. HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0727 (Gemeente Rotterdam/Eneco)).”
kan– in beginsel een groot gewicht doen toekomen aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen in een overeenkomst. Hij
hoeftdat echter niet te doen en kan dus ook bij de uitleg van een commerciële overeenkomst kiezen voor toepassing van de reguliere Haviltex-maatstaf. [20] Alsde feitenrechter ervoor kiest om op basis van de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de omstreden woorden te komen tot een voorshands gegeven oordeel over de uitleg van de overeenkomst, gelden wel enkele beperkingen. De feitenrechter zal zich bij zijn
uiteindelijkeuitlegoordeel niet kunnen beperken tot een taalkundige uitleg van de gekozen bewoordingen, maar moet zich er rekenschap van geven dat de overige omstandigheden van het geval
steedskunnen meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Daarnaast dient de feitenrechter te beoordelen of de partij die een andere uitleg van de overeenkomst verdedigt, voldoende heeft gesteld om tot bewijs dan wel tegenbewijs te worden toegelaten. Als dat het geval is, is de feitenrechter gehouden deze partij in de gelegenheid te stellen dit (tegen)bewijs te leveren. Het zal duidelijk zijn dat het aan de feitenrechter is om vast te stellen wat vooralsnog de meest voor de hand liggende betekenis van de gekozen bewoordingen in de (commerciële) overeenkomst is. Mijns inziens volgt hieruit dat de feitenrechter zich ook bij zijn voorshandse uitlegoordeel niet
hoeftte beperken tot een zuiver taalkundige uitleg van de gekozen bewoordingen in de overeenkomst. Dat voorshandse uitlegoordeel
kanook reeds (mede) gekleurd worden door de (overige) omstandigheden van het geval. In die zin meen ik dat ook bij het voorshandse uitlegoordeel sprake kan zijn van een glijdende schaal – ofwel een vloeiende overgang [21] – van een louter taalkundige uitleg naar de (subjectieve) partijbedoeling. [22] Ik laat rusten in hoeverre hier sprake is van “normatieve” uitleg. [23]
2.27. [betrokkene 1] heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het de bedoeling was dat zij tot commissaris zou worden benoemd. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat, ook al zou [betrokkene 1] benoemd worden, zij in haar hoedanigheid van holding het door hem verrichte werk bij MKB zou gaan factureren. Zij is dan ook degene die schade lijdt.
Omdat Euretco niet heeft gegriefd tegen en derhalve heeft berust in de overwegingen 3.17 t/m 3.23 uit het tussenvonnis van 3 oktober 2012 alsmede de overwegingen 2.26 t/m 2.34 uit het eindvonnis van 4 september 2013, hebben deze overwegingen alsook de daarin vervatte beslissingen in deze appelprocedure tot (vaststaand) uitgangspunt te dienen.
natuurlijkepersonen. Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat in artikel 5.4 van de koopovereenkomst is bepaald dat [betrokkene 1] in persoon (en niet zijn vennootschap [eiseres] ) als commissaris van MKB B.V. zou worden voorgedragen. De rechtbank heeft het doel van artikel 5.4 van de koopovereenkomst in rov. 2.28 uitgelegd als het ten behoeve van een derde, namelijk [betrokkene 1] , bedingen van een commissariaat. In rov. 2.29 heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat [eiseres] haar stelling dat zij schade lijdt als gevolg van het niet benoemen van [betrokkene 1] als commissaris niet voldoende heeft onderbouwd. Het hof heeft deze overwegingen van de rechtbank in rov. 3.11 samengevat weergegeven. Tegen deze achtergrond dient de tweede incidentele grief van [eiseres] begrepen te worden. [eiseres] heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat niet haar, maar [betrokkene 1] , ter zake van de commissarisbeloningen een vordering toekwam. Dit blijkt ook uit de door het hof in rov. 3.14 geciteerde passage uit de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel beroep van [eiseres] [27] , waarin onder meer wordt opgemerkt dat de overwegingen 2.26 t/m 2.34 (waaronder dus rov. 2.28 en 2.29) alsook de daarin vervatte beslissingen in de appelprocedure tot (vaststaand) uitgangspunt hebben te dienen. Mijns inziens had het hof de cessie ter incasso, die het hof in rov. 3.13 mogelijk acht, dan ook niet anders kunnen begrijpen dan dat [eiseres] in hoger beroep ten behoeve van [betrokkene 1] de misgelopen commissarisbeloningen vorderde en de grondslag van haar vordering ook in dier voege had gewijzigd. Ik verwijs naar de randnummers 17.1-17.6 van de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel beroep. In die randnummers (in onderlinge samenhang) kan ik niet anders lezen dan dat ten behoeve van [betrokkene 1] een vordering wordt ingesteld wegens misgelopen commissarisvergoedingen en dat daarmee de grondslag van de vordering werd gewijzigd. Dit maakt het oordeel van het hof voor mij niet begrijpelijk. Ik kom op de geoorloofdheid van deze cessie ter incasso nog terug bij de bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.
onderdeel 3.6.
Voorts klaagt het onderdeel dat ’s hofs oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd nu de vordering te laat – nadat Euretco haar memorie van grieven al had genomen – is bekendgemaakt aan Euretco.
in beginselbeperkt tot het eerste processtuk dat partijen in hoger beroep mogen nemen, behoudens (…) uitzonderingen. Deze beperking betreft niet alleen het aanvoeren van (nieuwe) grieven, maar ook de bevoegdheden in hoger beroep (a) nieuwe feiten aan te voeren, (b) de eis te veranderen of te vermeerderen, en (c) nieuw verweer te voeren. (…). De genoemde, in samenhang te lezen, arresten hebben de mogelijkheid in stand gelaten in hoger beroep nieuwe feiten aan te voeren en nieuwe stellingen te verdedigen. Maar deze mogelijkheid is aan strengere eisen gebonden dan voordien golden
indien die nieuwe feiten/stellingen strekken tot vernietiging van de uitspraak in eerste aanleg[voetnoten en curs. in origineel, onderstreping A-G].” [42]
momentwaarop [eiseres] de cessies ter incasso heeft ingebracht. In het eerste processtuk – de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel beroep – is anders dan het middel in incidenteel cassatieberoep klaagt niet te laat. [43] Niet de memorie van grieven van Euretco is hiervoor het bepalende moment, maar de memorie van antwoord van [eiseres] . Euretco is – in het kader van het belangrijke beginsel van hoor en wederhoor – in haar memorie van antwoord in incidenteel appel in de gelegenheid geweest (inhoudelijk) op de (nieuwe) stellingen van [eiseres] te reageren en heeft ook van die gelegenheid gebruikgemaakt. [44]